Ine Lamers, ‘Remote Sensing’, 29-08 to 27-09-2020 (Dutch)

01.08.1950

LET OP:
In verband met het coronavirus geen opening.
De tentoonstelling kan na afspraak worden bezocht  op
vrijdag, zaterdag en zondag van 13 -17 uur .

 

 

Remote Sensing is een serie fotowerken met ‘onwaarschijnlijke‘  landschappen en montages.  Misschien is dit onze planeet, maar er is een mogelijkheid dat dat niet zo is..
Een maand lang verbleef en werkte ik op het eiland Hrisey in Noord-IJsland en legde ik de bergketens oost en west langs de fjord Eyafjordur vast. Vanaf geselecteerde standpunten en onder variërende lichtomstandigheden werden dezelfde bergen en troggen meermaals gefotografeerd.  Dit was met de bedoeling om materiaal te verzamelen voor het maken van landschapsmontages.

De verschillende opnames werden daarna in mijn studio ‘geblend’, -vergelijkbaar met een dubbele dia projectie-, en bergen en kusten werden in en over elkaar geschoven tot nieuwe landschappen.  Ik ging intuïtief te werk.
De beelden verkennen processen van geomorfologie en verwijzen naar constante beweging, ook onder het aardoppervlak, naar stijging van zeespiegel, gletsjer vorming, en naar onvoorziene samenkomsten van bergen. In de afzonderlijke beelden is het proces gestold.
Migrerende bergen en overstromingen zinspelen op de aarde als plek van ongekende natuurlijke krachten en roepen associaties op met landschappen in een toekomst.

Ine Lamers, 11-8-2020

Remote Sensing is tot stand gekomen met ondersteuning van Mondriaan Fonds en Fonds Kwadraat.

 

Ronald Cornelissen, openingsspeech Luuk Wilmering, 10-9-’23

11.04.1950

 

Evil walks behind you

Evil sleeps beside you

Met deze songquote van AC/DC opent Ronalds boek Limbo Loopt/ Limbo slaapt. Ronald heeft de betekenis hiervan recent aan den lijve ondervonden. Want toen zij afgelopen zomer in de trein zaten, van Bordeaux naar Parijs, zijn Ronald, Marieke en Ivan beroofd door criminelen, van paspoort, sleutels en bankpassen. Het is een enorme strop geworden.

NORIT!

In de tweede helft van de 17e eeuw besluit Robinson Crusoe om per schip de wijde wereld in te gaan. U kent misschien het verhaal, met de vele avonturen die hij beleeft en hoe hij uiteindelijk na schipbreuk, als enig overlevende, aanspoelt op een onbewoond eiland. Daar weet hij zich met veel vindingrijkheid jarenlang in leven te houden en ontdekt er onbekende vruchten, specerijen en geneesmiddelen, zoals NORIT, dat daar aan de NORIT-boom groeit en een goed middel blijkt tegen diarree. Crusoe zal hier later nog fortuin mee maken.

Na verloop van tijd komt Crusoe erachter dat het eiland ook regelmatig bezocht wordt door menseneters, die daar ter plekke hun mensenvlees-maaltijden bereiden en nuttigen. Hij kan die lui dus maar beter uit de weg gaan.

Op een goeie dag weet een van hun slachtoffers te ontsnappen en vindt er een ontmoeting plaats tussen hem en Crusoe. Crusoe doopt de ontsnapte man met de naam Vrijdag en bekeert hem tot het Christendom, waarvan je je kunt afvragen: was dat nou echt nodig? Daarnaast maakt hij hem tot huisknecht… de lul.

Stelt u zich nu eens het volgende voor: Ronald Cornelissen gaat op zeereis, hij heeft niet voor niets dezelfde initialen. Hij vaart met de olietanker Arctic Lady in de richting van Groenland, maar lijdt schipbreuk en belandt in het water. Hij is de enige overlevende. Op niet al te grote afstand ziet hij een wit eiland liggen en al zwemmend tussen de met olie besmeurde zeevogels merkt Ronald dat hij zich in een aangenaam warme golfstroom bevindt. Eén van de voordelen van klimaatverandering. In de verte op het witte strand ziet hij een ijsbeer die ligt te zonnebaden en hem met veel interesse gadeslaat. De ijsbeer heeft vanwege het mooie weer zijn bontjas aan de punt van een smeltende ijsberg gehangen en zijn huid oogt al behoorlijk rood.

Even een zijsprong, toen ik jong was droomde ik regelmatig dat ik in een leeg huis wakker werd. Pappa en mamma, broers en zussen, in geen velden of wegen te bekennen en niemand op straat. Zomaar ineens bevond ik mij in een totaal verlaten wereld. Nergens honden, wat ik heel prettig vond. De deuren van alle huizen stonden open en auto’s stonden kriskras door elkaar of lagen op hun kant in de berm. Er hing een ongemakkelijke stilte. Het was alsof een onzichtbare macht de hele bevolking in één nacht tijd had weggevoerd, maar mij was vergeten.

Nu terug naar Ronald. Nadat hij is aangespoeld op het witte eiland, op ruime afstand van de ijsbeer, treft hij het precies zo aan als ik vroeger in die dromen. Totaal verlaten. Nergens ook Nederlandse toeristen, wat Ronald heel prettig vindt. Alleen ontdekt hij al snel dat er niet veel eten blijkt te zijn. De schappen in de winkels zijn leeg en er hangt een ongemakkelijke stilte.

Na verloop van tijd komt Ronald erachter dat het eiland ook regelmatig bezocht wordt door criminelen, die daar ter plekke hun criminele plannen voorbereiden. Hij kan die lui dus maar beter uit de weg gaan.

Door honger gedreven moet Ronald op zoek naar eten en hij voedt zich met plaatselijke flora, als Ganzerik en Wollig kartelblad, en ontdekt er een rijke variatie aan soorten mos. Door het nuttigen hiervan begint hij echter te hallucineren en een koortsachtige stroom van waanbeelden trekt aan zijn geestesoog voorbij, met daarin hoofdrollen voor zijn jeugdhelden Popeye de zeeman, Calimero en Jezus. Dan doet Ronald een poging om de ijsbeer, die zijn bontjas weer heeft aangetrokken, te bekeren tot het Christendom. Dit mislukt totaal. En op de vraag of de ijsbeer misschien Ronalds huisknecht wil worden volgt een ongemakkelijke stilte.

Maar dan gebeurt het. Onverwacht stuit Ronald op een grote stapel papier en niet veel later vindt hij een buisje NORIT –geneesmiddel tegen diarree– en dit roept direct de tekenaar in hem wakker. Meteen gaat Ronald als een bezetene aan de slag, daarbij gebruik makend van de NORIT-tabletten als tekenmateriaal. Wat volgt is een stroom aan creatieve uitingen.

De leegte van het witte eiland wordt door hem bijna tastbaar neergezet op papier. Daarin vechten Popeye, Calimero en Jezus op vrijdag met criminelen, die hen proberen te beroven van paspoort, sleutels en bankpassen. De wanhoop over een wereld die naar de vernieling gaat, neergezet met contrasterend zwarte NORIT op maagdelijk witte vellen papier. Angstbeelden vol zieltogende tankers, verlaten fabrieksgebouwen, dolende zeevogels en andere dieren, kapotte auto’s, asociale huisgenoten en nog meer hedendaags heldendom. Het wit van het eiland geel en grauw gekleurd, de laaghangende noorderzon verduisterd door rook, sneeuw of regen. Vaal roze licht, bleekgroene buren… en er hangt een ongemakkelijke stilte.

Luuk Wilmering, 2023

 

Henk Tas & Rick Vermeulen – (I’M) GETTIN’ NUTTIN’ FOR CHRISTMAS (vol.II)

12.12.1922

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Henk Tas (1948) en Rick Vermeulen (1950) zijn kunstenaar en vormgever met internationale reputatie op het gebied van fotografie en vormgeving. Zij stelden speciaal voor walgenbach art & books een kersttentoonstelling samen waarin beeldende kunst en muziek el-kaar treffen.

Henk en Rick zijn buddy’s vanaf hun tijd op de academie van beeldende kunst. In hun leven en werk speelt popmuziek een dominante rol. In de geënsceneerde fotografie van Henk is dat zichtbaar maar ook in hun gezamenlijke projecten is muziek een inspiratiebron die zich vertaalt in speciale tentoonstellingen en bijzondere publicaties. Zoals het tijdschrift ‘Kentucky’ dat ze van eind jaren tachtig tot eind negentig maakten over de Everly Brothers. In 2001 publiceerde ze in nauwe samenwerking de monografie ‘Why me Lord’, met de fotografie van Henk. Door de opvallende vormgeving van Rick werd het boek door de Stichting CPNB in 2001 geselecteerd als een van de ‘Best Verzorgde Boeken’,  

Hun gedeelde passie voor muziek is ook de basis van de kerstexpositie XMAS MUSIC & TYPE.
Al 22 jaar maakt Henk voor vrienden met Kerstmis een compilatie CD met kerstsongs. Tijdens de opening van de tentoonstelling wordt een CD gepresenteerd met als titel – .  De titel is ontleend aan een hit uit 1955 van Ricky Zahnd and The Blue Jeaners. Deze CD is een een compilatie van de afgelopen 22 jaar.
En….bezoekers van de tentoonstelling zullen niet kunnen zeggen dat zij niets voor Kerstmis hebben gekregen.

 

Henk Tas (1948) and Rick Vermeulen (1950) are artists and designers with an international reputation in the field of photography and design. They have put together a Christmas exhibition especially for walgenbach art & books in which visual art and music meet.

Henk and Rick have been buddies since their time at the Academy of Fine Arts. Pop music plays a dominant role in their lives and work. This is visible in Henk’s staged photography, but music is also a source of inspiration in their joint projects, which translates into special exhibitions and publications. Like the magazine ‘Kentucky’ that they made from the late eighties to the late nineties about the Everly Brothers. In close collaboration, the monograph ‘Why me Lord’ with Henk’s photography was published in 2001. Due to Rick’s striking design, the book was selected by the CPNB Foundation in 2001 as one of the ‘Best Dutch Book Designs’,

Their shared passion for music is also the basis of the Christmas exhibition XMAS MUSIC & TYPE. Henk has been making a compilation CD with Christmas songs for friends for 22 years. During the opening of the exhibition, a CD entitled – . The title is taken from a 1955 hit by Ricky Zahnd and The Blue Jeaners. This CD is a compilation of the past 22 years. And… visitors to the exhibition won’t be able to say they didn’t get anything for Christmas!

 

Gerco de Ruijter & ‘book launch’ Footprint

22.09.1922

Boekpresentatie Footprint, Inleiding

walgenbach art & books, Rotterdam

Zondag 4 september 2022.

door Peter Delpeut

Twee weken geleden herlas ik mijn essay ‘De verleiding van het grid’ uit Grid Corrections voor de conferentie Correctionville, een conferentie over cartopology, cartopologie: de studie naar het menselijke verlangen de wereld in kaart te brengen en daar iets van te leren, of er gewoon plezier aan te beleven.
Het laatste hoofdstukje van ‘De verleiding van het grid’ ging tot mijn verbazing over ‘de verleidingen van Google Earth’.



Ik was het vergeten.
Nergens is het Amerikaanse grid, de kadastrale indeling van de VS in gelijke vierkanten van één mijl bij één mijl, zo verbluffend goed te zien als in Google Earth.



En het is dus ook niet zo vreemd dat Gerco daar op onderzoek uitging om het systeem van correcties te doorgronden.
Maar gaandeweg het ontstaan van het boek daarover ontstond er ook een fascinatie voor Google Earth zelf. En daar sluit Grid Corrections dan ook min of meer mee af, zonder dat we beseften dat daar het onderwerp voor een nieuw project lag.
Want als Footprint een ondertitel had gekregen, dan zou ‘Google Earth en de verwondering’ een optie zijn geweest.

Die verwondering kwam in een stroomversnelling toen Gerco mij plaatjes uit Google Earth stuurde met een soort ‘reuzentekeningen’ van vliegtuigen op het beton of asfalt van vliegvelden.
Het waren sjablonen die waren achtergebleven na het ontijzen van vliegtuigen. De-icing in het jargon van de luchtvaart. Vliegtuigen worden in de winter bespoten met een chemisch goedje, en als het vliegtuig vertrekt, blijft er een tekening van het vliegtuig achter.












































Na zo’n vondst van Gerco (want het begint altijd met een vondst van Gerco), gaan we pingpongen. We sturen elkaar per e-mail commentaar, opmerkingen, nieuwe plaatjes, Wikipedia-lemma’s of zelfs gedownloade boeken, meestal obscure uitgaven. Het is eigenlijk best opmerkelijk dat we pas in een heel laat stadium met elkaar gaan praten. Feitelijk doen we dat pas in het laatste stadium.
Onze e-mailwisseling zie ik als een vorm van wat tegenwoordig artistic research heet. Een term die voor ons goed de lading dekt, want het onderzoek is zeker niet wetenschappelijk, maar vertrekt vanuit verwondering en associaties -- het is een zoektocht naar hoe van die verwondering iets kan worden gemaakt dat als kunst kan doorgaan.

Voor Footprint kwamen daar een paar sessies bij met Frank van der Stok, de vrijzwevende curator, en iemand die nooit om een idee of vergezochte associatie verlegen zit. Gerco en ik waren nog niet zoveel verder dan dat we een catalogus van die vliegtuigsjablonen wilden maken, maar in de sessies met Frank werd snel duidelijk dat die vreemde vlekken ook vragen opriepen over Google Earth als kaart.
Gerco en ik konden daarna weer vooruit met onze pingpong mails.

*

Grofweg heeft een landkaart twee functies.
Het geeft de gebruiker houvast om van A naar B te gaan. Dat is de voor de hand liggende functie.
Maar het is ook ‘een plek’ om bij te mijmeren en te dromen. En ik zeg ‘plek’, omdat in mijn beleving je met je hoofd ‘boven’ een kaart moet hangen: kaart en hoofd  vormen een twee-eenheid. Dat is het beeld dat ik erbij heb.
In een landkaart bevinden die dromen zich in het wit tussen de streepjes en lijntjes en stippen en namen. De verbeelding, net als in goede poëzie, bevindt zich tussen de regels. Wat er te zien is, moet je zelf bedenken.
Google Earth heeft die leegtes ingevuld met fotografische precisie. Is het nog een kaart, kun je je afvragen. Op het eerste gezicht lijkt het te realistisch voor dromen en verbeelding. Er is geen wit tussen de streepjes.
Of zijn die vreemde vlekken die op vliegtuigen lijken misschien toch iets dat de gebruiker van Google Earth naar raadsels en dus verbeelding leidt?
En als Google Earth een landkaart is, wat zegt dat dan over hoe we voor Google Earth over landkaarten hebben gedacht? Raken we aan iets nieuws?

Ik ga u niet de antwoorden geven die we daarop vonden. Onder andere omdat die antwoorden veelal vragen waren. Nieuwe raadseltjes. Maar belangrijker, omdat Footprint als ‘boek’ de gebruiker ervan uitnodigt zelf te associëren en na te denken.
En daar begint ook meteen het eerste raadsel. Is dit een boek?

In een van onze sessies met Frank kwam al snel boven dat als we Google Earth als landkaart ter discussie wilden stellen, een verwijzing naar het oude idee van een kaart een prettige ironie zou oproepen.
Gerco kwam met zijn oude bromfietskaartje op de proppen – ooit reisde hij ermee naar een van de Waddeneilanden. Vormgever Hans Gremmen reageerde daarop met een haalbare oplossing. En in die vorm ontstond precies hoe het proces van pingpongen tussen Gerco en mij werkte.

    
                  















Footprint is vormgegeven als een kaart. Maar niet om eenvoudig je weg mee te vinden, maar om zelf het wit tussen de lijntjes op te vullen. Het is een ‘kaart’ die door het in- en uitvouwen een scala aan combinaties tussen beeld en tekst, en beeld en beeld oplevert.
Het is een dwaalkaart door de raadsels van kaarten, ironisch genoeg met materiaal uit de meest realistische aller kaarten: Google Earth.
Het levert ongevouwen en ongesneden ook een editie van twee Google Earth ‘kaarten’ op van zo’n acht vierkante kilometer Oklahoma, dat ongeveer samenvalt met Will Rogers World Airport van Oklahoma City.




Is het een kaart of een afbeelding? En hoe vinden we onze weg langs de lijnen die eruit zien als de contouren van tien vliegtuigen?
Of wat te denken van de andere kant van deze kaart, waarin op deze acht vierkante kilometer de lagen zijn afgegraven die Google Earth ervan verzamelde. Archeologie, geologie, tijd en ruimte in een onmogelijk samenzijn versmolten.



U hoort hopelijk in mijn verhaal dat het voor Gerco en mij heerlijk was om hieraan te werken en er in samenspraak met Frank van der Stok en Hans Gremmen een vorm voor te vinden. Hans is met FW:Books bovendien ook de uitgever.
We zijn ook dank verschuldigd aan  Het Rotterdamse Makersfonds Stichting Droom & Daad, Het Mondriaanfonds voor financiële ondersteuning, en Drukkerij Rob Stolk voor de ingebrachte expertise. En uiteraard ook Hans Walgenbach voor de gastvrijheid van deze presentatie.

Eerste exemplaar

Bij een boekpresentatie hoort ook iemand die het eerste exemplaar in ontvangst neemt.

We lieten ons oog vallen op Lex ter Braak.
Waarom?

Vorig jaar verscheen de eerste roman van Lex: Levensvormen (Van Oorschot, 2021). Ik las die roman met rode oortjes: het ging over landschappen, parken, kaarten, herinnering, geschiedenis en het belang van kunst in het leven. Allemaal onderwerpen waarover ik zelf ook graag schrijf.
Maar wat me vooral raakte in het boek was het onverholen pleidooi voor de conceptuele aspecten van kunst: kunst als een vorm van denkarbeid – zonder excuus, maar in volle overtuiging.
Precies wat we in Footprint in de praktijk proberen te brengen.
Voor Gerco kwam er nog een mooi persoonlijk detail bij.
In 1999 presenteerde Lex als directeur van de Vleeshal in Middelburg een tentoonstelling over drie landschapsfotografen: Elger Esser, Jan Koster en Gerco.
Gerco maakte toen nog foto’s met zijn vlieger. Nu verzamelt hij foto’s met de vlieger die Google Earth boven de wereld heeft hangen.
Op de uitnodiging prijkte een landschap van de zeventiende eeuwse schilder Philips Koninck. Mijn favoriete schilder van het Nederlandse landschap, die ook van bovenaf kijkt.
Verleden, heden en verwantschap – het komt allemaal samen bij Lex.
Daarom bieden wij hem met trots het eerste exemplaar aan van boek en editie aan.

In zijn dankwoord zei Lex dat toen hij de kaart helemaal openvouwde hij het idee had dat hij een landingsbaan voor de geest voor zich zag.... 

 

Footprint – Peter Delpeut & Gerco de Ruijter

productie en eindredactie – Frank van der Stok

vormgeving – Hans Gremmen

Uitgever – FW:Books

€. 27,50

 


opening tentoonstelling werk Gerco de Ruijter & ‘book launch’ Footprint

zondag 4 september 2022, 15:00 uur

korte inleiding
Peter Delpeut
het eerste exemplaar zal in ontvangst worden genomen door
Lex ter Braak
(beeldend kunstenaar, schrijver en voorheen directeur BKVB en Jan van Eyck Academie. Vorig jaar verscheen bij Van Oorschot zijn literaire debuut Levensvormen, een duizelingwekkende roman over kunst en leven.)

 

  • [beeld voorzijde]
    Losse, dubbelzijdige editieprint – met boek: € 150,- incl.
    Ingelijste (en opgeplakte) dubbelzijdige editieprint – met boek: € 300,- incl.
  • [beeld achterzijde]
    Losse, dubbelzijdige editieprint – met boek: € 150,- incl.
    Ingelijste (en opgeplakte) dubbelzijdige editieprint – met boek: € 300,- incl.

 

 

 

 

Marcelle van Bemmel

01.11.1900

EEN DEUR IN HET BOS
 
Enige tijd geleden kreeg ik het boek ‘Een antropoloog op Mars’ in handen. De schrijver, neuroloog Oliver Sacks (van ‘The man who mistook his wife for a hat” en bij een groter publiek bekend van de verfilming van ‘Awakenings’) vertelt in eerstgenoemd boek over een man die in zijn vierde levensjaar blind werd. Op zijn vijftigste onderging deze een operatie waardoor hij weer voor 80% zicht had. Probleem was echter, dat hij met zijn ogen wel opeens van alles kon waarnemen, maar dat zijn hersenen grote moeite hadden om de beelden te interpreteren.
Hij was opgetogen dat hij vanuit het raam van zijn woning naar beneden kon kijken en allerlei kleurvlakken voorbij zag schieten, maar  anderen moesten hem vertellen dat die kleuren de daken van auto’s waren. Voor hem waren de auto’s op straateen aanzwellend en wegstervend motorgebrom en de reuk van uitlaatgassen. Objecten en mensen waren voor hem alleen aanwezig als ze geluid maakten of als hij ze kon aanraken. In ruimtes waarin hij zich regelmatig bevond wist hij dat hij na een bepaald aantal stappen tegen een tafel zou botsen, of dat een muur de begrenzing van die ruimte zou zijn.
Met enige inspanning kon hij wel leren om een relatie te leggen tussen objecten in zijn woning die hij kon aftasten en die nu opeens ook zichtbaar waren, maar hij begreep niets van de zwarte vlek die steeds opdook in de kamer. Die veranderde voortdurend van vorm en grootte. Ze zeiden dat het de hond was die heen en weer liep. Een andere keer bleek het toch de kat te zijn.
In deze verhandeling wordt het duidelijk dat visuele prikkels alleen zinvol zijn als onze hersenen in staat zijn om ze te duiden. Ik begreep opeens hoe ik intuïtief  de foto’s selecteerde die ik het waard vond om af te drukken. In deze printsspeelt steeds de vraag wat je nu eigenlijk ziet. Een hardlopend poppetje met grote handen blijkt in werkelijkheid een gat te zijn die uit een dikke aluminium plaat gezaagd is.
Wij hebben geleerd om spiegelingen als zodanig te interpreteren. Als ik bij een etalage sta, zie ik mezelf en alles achter mij reflecteren in het glas. Maar ik kan het negeren en mij concentreren op de objecten in de etalage. In een foto krijgt alles dezelfde aandacht, net als de patiënt van dr. Sacks dat deed. Daar kan je in de fotografie gebruik van maken door twee zaken die niets met elkaar gemeen hebben met elkaar verbinden, zoals een zonsopgang en een TV-beeld  dat reflecteert in het raam. Door de combinatie ontstaat een bepaalde spanning.
De meeste foto’s heb ik met mijn mobiel gemaakt en daarbij kan ik de scherptediepte niet instellen: achtergrond en voorgrond zijn even nadrukkelijk in beeld. Dat kan je als fotograaf ook uitbuiten. In de foto van de vrouw die de ramen zeemt met de zee op de achtergrond zijn de druppeltjes op het glas haarscherp terwijl het bootje ver weg op zee ook duidelijk herkenbaar is. Je moet raden dat er een raam is, want de omlijsting ervan is niet te zien op de foto. Bij de stoffige afdruk van een duif op het raam is de vervreemding nog groter.
De patiënt van dr. Sacks wist ook niet hoe hij met schaduwen om moest gaan. Als hij langs een hek liep, en de zon scheen door de spijlen, kwamen er allemaal zwarte strepen op het wegdek. Kon hij er dan op gaan staan of struikelde hij erover?
Het is niet per ongeluk dat in mijn foto’s regelmatig silhouetten voorkomen. Het is verbazingwekkend hoe goed mensen die hun hele leven hebben kunnen zien in staat zijn om in de meest uiteenlopende vlekken de omtrekken van een mens te herkennen. Of het hoofd van het fictieve personage Sherlock Holmes.
Mijn foto’s zijn niet geënsceneerd of digitaal gemanipuleerd. Soms zet ik een horizon recht, maak de foto wat donkerder of lichter, of maak ik een uitsnede, maar verder laat ik mijn mobiel dingen registreren op bijna dezelfde manier als de blinde man die weer ging zien. Mijn keuze werd vooral gestuurd door de vraag: wat zie ik nu eigenlijk en hoe ga ik daarmee om?
 
Een deur in het bos, dat kan toch niet?
 
Marcelle van Bemmel - 2020



A DOOR IN THE FOREST
 
Some time ago I got my hands on the book "An Anthropologist on Mars". The writer, neurologist Oliver Sacks (from "The man who mistook his wife for a hat" and known to a wider audience from the film adaptation of "Awakenings") tells in the first-mentioned book about a man who went blind in his fourth year of life. At the age of fifty, he underwent surgery, which restored 80% vision. The problem, however, was that he could suddenly perceive everything with his eyes, but that his brain had great difficulty in interpreting the images.
He was delighted to be able to look down from the window of his home and see all kinds of areas of color darting past, but others had to tell him those colors were the roofs of cars. To him, the cars in the street were a swelling and dying engine hum and the smell of exhaust fumes. Objects and people were only present to him when they made noise or when he could touch them. In rooms where he regularly found himself, he knew that after a certain number of steps he would bump into a table, or that a wall would be the boundary of that space.
With some effort he could learn to relate objects in his home that he could sense that were now suddenly visible, but he did not understand the black stain that kept popping up in the room. It was constantly changing in shape and size. They said it was the dog running back and forth. Another time it turned out to be the cat.
In this paper it becomes clear that visual stimuli are only meaningful if our brains are able to interpret them. I suddenly understood how I intuitively selected the photos I thought were worth printing. In these prints the question always arises of what you actually see. A running doll with large hands actually turns out to be a hole cut from a thick aluminum plate.
We have learned to interpret reflections as such. When I stand at a shop window, I see myself and everything behind me reflecting in the glass. But I can ignore it and focus on the objects in the shop window. In a photo, everything gets the same attention, just like Dr. Sacks' patient did. You can make use of this in photography by connecting two things that have nothing in common, such as a sunrise and a TV image that reflects in the window. The combination creates a certain tension. 
I have taken most of the photos with my mobile and I cannot adjust the depth of field: background and foreground are equally emphatically in the picture. As a photographer you can also exploit that. In the photo of the woman cleaning the windows with the sea in the background, the droplets on the glass are razor-sharp, while the boat far away at sea is also clearly recognizable. You have to guess that there is a window as the framing of it cannot be seen in the photo. With the dusty print of a pigeon on the window, the alienation is even greater.
Dr. Sacks' patient also didn't know how to deal with shadows. When he walked past a fence, and the sun shone through the bars, all kinds of black stripes appeared on the road surface. Could he then stand on it or did he trip over it? 
It is no accident that silhouettes regularly appear in my photos. It is amazing how well people who have been able to see all their lives are able to recognize the outlines of a person in the most diverse spots. Or the head of the fictional character Sherlock Holmes.
My photos are not staged or digitally manipulated. Sometimes I straighten a horizon, make the photo a bit darker or lighter, or make a crop, but otherwise I let my mobile register things in almost the same way as the blind man who went to see again. My choice was mainly driven by the question: what do I actually see and how do I deal with it?
 
A door in the forest, that is not possible, is it?
 
Marcelle van Bemmel - 2020





Ralph van Meijgaard

08.09.1900

Woorden voor Ralph

De biografie als lopende band

Drie weken geleden was ik op atelierbezoek bij Ralph, die toen al een hele tijd bezig was met het werk dat nu hier hangt – de tentoonstelling herhaling en verhouding. Het zijn een heleboel werken, een reeks, een overzicht?

Er zit zoveel verhouding in het werk, dat ik dat niet zo een twee drie uit de losse pols kan vertellen – dus ik moet het voorlezen:

Het atelierbezoek:

Ralph heeft een wonderlijk leeg atelier, veel wit, opgeruimd. Het schilders- verleden, de oudere werken, zitten opgeborgen in een speciaal gebouwd hok, de opslag.

Alleen in het midden van het atelier ligt een grote hoop losse stukken papier. Het is een behoorlijke stapel: Kalkpapier met potloodlijnen erop, grids in verschillende maatvoeringen, stencils waarin ik de vormen uit de schilderijen terug zie als losse elementen in alle maten. De potloodlijnen zijn soms vele malen over elkaar heen getrokken.

Ralph noemt het zijn externe geheugen.

Dus, daar liggen de bouwplannen van Ralph’s schilderijen door de jaren heen, klaar voor hergebruik. Mij komen ze voor als de blauwpauzen van een enorm apparaat die nog geconstrueerd moet worden.

Het werk dat we hier zien is vooral nieuw, recent ontwikkeld voor deze setting, maar er zitten ook oudere werkjes tussen. Dus we zien een soort oeuvretentoonstelling, samengevat tot één beeld.

Ralph bouwt gestaag aan zijn oeuvre – dat is het apparaat dat geconstrueerd wordt – of, dat oeuvre bouwt zich eigenlijk zelf in itererende bewegingen. De omschrijving die Ralph gebruikt voor de ontwikkeling in zijn werk:

Je komt uit op dingen die je mogelijk maakt.

Het past bij de rustige nuchterheid van de kunstenaar: hij vat het vriendelijker wijze alvast een beetje samen, zijn denkwereld, tot een overzichtelijk geheel in een geordende constructie.

Die denkwereld – en het visuele gevolg ervan dat hier aan de muur hangt – probeer ik sinds drie weken een beetje te duiden. Zo een atelierbezoek heeft namelijk gevolgen. Het werk is in mijn hoofd en terwijl het leven door gaat mengt het werk zich als het ware in mijn waarnemingen. 

Om een beetje te illustreren wat ik bedoel: Afgelopen week was een documentaire te zien bij tegenlicht ‘HOW TO HANDLE CHAOS’. Daarin werd de neurowetenschapper Anil Seth geïnterviewd.

Hij zegt dat zien, gewoon het zintuigelijke zien, een proces van voortdurende constructie is. We interpreteren wat we zien en het brein maakt er een soort Best Guess van. Dan zien we hem in een tentoonstelling zitten en hij zegt dat het werk dat hij hier ziet in zijn brein doorwerkt en dat hij bijna alles, dat hem bezig houdt erin onder kan brengen.

Ook het werk van Ralph lijkt de eigenschap te hebben zich met van alles te kunnen verbinden.

Ik heb even – in overleg met de kunstenaar – voorgesorteerd wat er zoal te zien is:

roltrappen

roltrappen als groeivorm tak en arm

de wasstraat

de abstracte wasstraat het reuzenrad

en reuzenrad zonder rad met en zonder mensen of is het een klok

een klok van mensen een tandwiel

(rol)stoel en (rol)bed of schavot zittende figuren, genderneutraal een zittend figuur met detail veel rondjes

als rolletje, als hoofd, als stip, als zon, als gat, als spiegel of wensput of negatieve wensput

als atoom in het atomaire ijsje in herhaling en als projectie

op voorgronden of achtergronden

twee mannen die naar de horizon kijken de horizon als streeppatroon

van de ondergaande zon

strepen, of zijn het uitgerekte stippen plattegrond van de gates op Schiphol

en de geboorte van het orakel of iets ezelachtigs een kano

kano’s in de bioscoop

een scherm

een toetsenbord of patroon patronen en clusters

beige

grijs grijs grijs

wit zwart geel rood blauw

ik lees dit expres heel snel op, zodat je het niet kan onthouden of niet begint te zoeken of het klopt of zoiets.. Ik wil niet het kijken invullen alsof het een zoekplaatje is. Je kan het beter weer vergeten.

Wat we zien zijn een soort pictogrammen. Deze pictogrammen komen voort uit concrete verhalen in het leven van de kunstenaar, autobiografische pictogrammen dus.

Om een voorbeeld te geven wil ik één van de verhalen vertellen, die ik heel opmerkelijk vond. Ralph vertelde het in het atelier Het gaat over een van de oudere doeken in de reeks, dat met de kano’s.

Vroeger, in de jaren 90, had je op de westersingel de Consul, een eetcafé waar ook filmvertoningen waren. Ik ken dat ook nog. Tijdens een van de avonden werd een Afrikaanse film vertoont. Na afloop zag hij een stuk 16mm film uit het filmblik steken en heeft die in zijn jaszak gestoken. Veel later vond hij dat stukje film terug in die jaszak. Het was een scene waarin een vrouw (of moeder) iets voorovergebogen over een grote ronde bak met water een   paar kinderen een zeilscheepje in het midden van de bak aan wees.

De filmbeelden herhalen natuurlijk de scene, dus er was een hele lange rij bakken en bootjes en figuren in een houding te zien. Dat gaf hem het idee van de helpende beelden. Beelden die elkaar helpen om een beeld te zijn als je zo wil? Het zeilbootje werd een kano en dan een gekapseisde kano of een vorm die op een toetsenbord lijkt…

De rij kano’s is hier terug in een bioscoop op een scherm op de achtergrond en omgedraaid in de onderste helft (de zaal): beeld een publiek tegelijkertijd. De herinnering als film. Deze kano’s, als we ze dan als zodanig herkennen, zijn heel veel dingen. Een mooi voorbeeld om aan te tonen dat zien een constructie is.

Dus, in het beeld gaat het niet om de voorwerpen zelf, maar om ‘helpende voorwerpen’ die elkaar naar een andere hoedanigheid helpen. Ze zijn uiterst hybride. Ze vloeien in elkaar, overlappen en evolueren – soms zelfs over de suggestie van twee doeken heen, zoals de grote roltrap-arm-cactus over twee kleurvlakken. Alles is in beweging in een grote voortschrijdende metamorfose – een soort tanta rei?

Vereenvoudigt tot een teken komen ze mij voor als reserveonderdelen voor een lopende band die zichzelf steeds opnieuw construeert. Elk afzonderlijk beeld is helder en leesbaar:

duidelijkheid die zich toch aan duiding onttrekt. De figuratieve kant van het werk is tegelijkertijd icoon (of icoontje) en orakel.

Het Orakel spreekt in rijmen en in raadsels en het wijst de weg in de toekomst.

De schilderijen vormen een tijdlijn die voor en achteruit beweegt, waarin losjes herinneringen verwerkt zijn. Momenten die zich op soms onnavolgbare wijze in het geheugen genesteld hebben en daar een plek opeisen. Het systematiseren van deze betekenisvolle toevalligheden komt me voor als of op de achterwand van het brein de projecties van ervaringen een nieuwe diashow in elkaar zetten van licht en schaduw, overlappingen en dubbele projecties inclusief de kleurafwijking en dubbelbelichting die in projecties op kan treden.

De kunstenaar observeert en ordent, herschikt en vervormt, het een komt van het ander. Het werk , stuwt zich als het ware zelf voort – de schilder is de voorman van het tand(wiel) des tijds.

Want, na alles wat je erover kan zeggen zijn het toch ook vooral schilderijen wat we zien. Schilderijen, die zich ervan bewust zijn wat ze doen met de waarneming van de kijker en van hun rol in de schilderkunst. Het kijken is telkens een avontuur, met zachte maar onverbiddelijke hand gestuurd door gelaagdheid, kleur en compositie. De vorm wordt een eigen betekenislaag.

Omdat ik bij het zien van Ralph’s werk (behalve aan Oskar Schlemmer en Purno de Purno) aan Alex Katz moet denken heb ik wat onderzoek naar hem gedaan en kom in en interview de volgende uitspraak tegen: Katz zegt over zijn werk

‘de grammatica is abstract en het beeld is figuratief’.

Ralph werkt zijn grammatica helemaal open met hulp van de figuratie. Helpende vormen!

En toen ontdekte ik ook – want zo gaat dat met het google=algoritme – er verschijnen allemaal oneigenlijke verbanden –

de Menukaart van Restaurant Katz Orange in Berlin

en sinds je ook nog een leven heb als kok en zodoende een  “helpende  vorm” bent in de context van een project over sociale cohesie op zuid, heb ik hier de menukaart als inspiratie voor jou. Ze noemen zichzelf foodlab, trouwens.

En nu even nog een keer Alex Katz:

The surface is what the whole thing is!

Het oppervlak van de dingen en het oppervlak van het doek, dat nauwelijks sporen van de maker toont. Het is een neutrale wereld, die ondersteunt wordt door de kleuren, die voor het grootste gedeelte rondom grijs en beige liggen – beige is het goud van de kleine man, zegt Ralph.

Hij houdt niet van felle kleuren. (en daar sta ik dan in mijn oranje jasje)

De serie is door kleur en compositie in balans gebracht. Helpende kleuren, helpende vormen.

Het moet wel een beetje democratisch zijn, zegt Ralph daarover..

En ineens spreken we in termen van menselijke verhoudingen.

Is hier een ideaal ontworpen? Ik ben zeker dat Ralph het liever wat bescheidener gaat houden?

Wat me in ieder geval raakt in het werk, is de schilderkunstige verfijning die in deze stripachtige vormentaal en speelse grammatica een plaats krijgt.

Want de schilder weet – je kan van alles bedenken, maar het moet zich ook voordoen: Als beeld. Eenmaal beeld geworden is de mogelijke betekenis alleen gelaten, misschien zelfs achterwege gelaten.

Het is wat we zien en hoe we dat met onze zintuigen kunnen lezen en ervaren, om dan – wel of niet ondersteunt door kennis of ervaring – de constructie van de werkelijkheid in gang te zetten.

Het werk biedt de kijker daartoe een systeem aan.

Deze beelden kunnen heel goed alleen zijn, zonder hun maker en zelf zonder elkaar. Ze hebben de uitstraling van een icoon. Ook al zijn ze hier met z’n allen, en tonen ze hun onderlinge verband.

(Hoe zit dat Ralph, kan men ze ook apart kopen?)

Het beeld blijft wat het is – onder alle omstandigheden: uitgewogen.

Ik zie hier de kracht en de noodzaak van de abstractie. Met het loslaten van de anekdote (ook al is die telkens aanleiding voor het beeld) komt een groter verhaal naar voren. Het verhaal dat samenhang en toekomst schetst.

We hebben het abstracte nodig.

Om de wereld te bevatten en om ze te verdragen.

En omdat het denken aan je werk maar door gaat, heb ik hier nog zo een vondst (gisteren in Den Haag, postkaart van een vliegveld) dat ik je even cadeau wil geven – kunnen we toch nog kijken of dat een beetje klopt met de plattegrond van de gates van Schiphol.

Dagmar Baumann, zelf ook schilder, Oktober 2019, Rotterdam