Wim Konings
Openings speech van Johnathan den Otter,
Toen ik de vraag van Wim ontving of ik de tentoonstelling vandaag wilde openen hoefde ik daar geen moment over na te denken. Zijn werk heeft een prominente plaats op mijn radar sinds ik het leerde kennen en om nu deze tentoonstelling te mogen openen is mij een grote eer. Nadat ik met werk van Wim in aanraking kwam ben ik echter langzamerhand in plaats van vooruit, achteruit in de kunst gegaan. Dat wil zeggen, ik houd mij bezig met oude meesters in de rol van specialist oude meester tekeningen in Londen. En als je zoals ik op regelmatige basis geconfronteerd wordt met tekeningen van de grote Italianen, Michelangelo, Rafael en Leonardo of Noordelijke meesters als Dürer, Rembrandt of Rubens, dan is er het risico dat je je afvraagt waarom kunstenaars van generaties erna het toch in hun hoofd zouden halen om pen, potlood of penseel op te pakken. Leonardo keerde de mens letterlijk binnenstebuiten en gaf hem, of haar, op de meest briljante wijze weer op bescheiden velletjes papier. Dürer ving de buitenwereld in zijn exceptionele landschapsaquarellen en Rembrandt gaf gestalte aan de ‘’gewone’’ mens in haar dagelijks leven. Heeft het dan nog wel zin om de wereld om ons heen op het papier te vereeuwigen, zou je je af kunnen vragen? Gelukkig, echter, hoeven we zodadelijk alleen maar naar het werk van Wim te kijken om het antwoord te krijgen: zijn tekeningen zijn een briljante repliek om deze vraag en maken hem in een klap irrelevant. Ook nu, of misschien wel juist nu is tekenen relevant. In een wereld waarin ambachten geen gewoon goed meer zijn, de digitalisering meer en meer aan terrein wint, ook in de kunst, is de eeuwenoude kunst van het tekenen een baken van hoop.
In aanloop naar de tentoonstelling sprak ik met Wim over zijn werk en zijn leven, waarin het tekenen een centrale rol speelt. Zo’n centrale rol speelt het, dat het voor Wim, om het in zijn woorden te zeggen, ‘’de norm is van enige kwaliteit van leven’’. Met andere woorden, tekenen staat gelijk aan het leven zelf. Wim tekent iedere dag. Sinds 2016 staat hij er om vijf uur voor op, zodat hij, voordat hij de post rondbrengt, kan tekenen. Als een monnik wordt dan in de stille en meestal donkere uren van de dag meditatief gewerkt. De stilte en focus van de vroege uren zijn zo gaandeweg het werk ingeslopen. De onderwerpen zijn uit de directe omgeving gegrepen. Eerder waren er nog landschappen of kunsthistorische verwijzingen te zien, nu echter ligt de focus op onderwerpen dichtbij. De tekeningen zijn gestript van iedere modegril, religieuze of kunsthistorische context, en wat over blijft zijn glasheldere tekeningen van alledaagse motieven. De waarneming krijgt gestalte in haar meest basale vorm. Het is alsof Wim decennia lang door een kunsthistorische zee heeft gewaad om vervolgens aan de kant zijn natte, zware kleren uit te trekken en zo, zonder schroom, zijn naakte zelf te laten zien. Hij lijkt de kunstgeschiedenis na zijn intense dialoog ermee niet meer nodig te hebben, of er wellicht juist op te drijven.
De tekeningen streven naar perfectie, en roepen de associatie op met die van de oude Oosterse meesters die hun leven wijdde aan het maken van ogenschijnlijk simpele tekeningen. Op het eerste gezicht tonen ze eenvoudige motieven; een steen, een rietstengel of een kraanvogel, maar binnen hun eenvoud zijn ze oneindig variabel en complex en raken ze aan de essentie van het bestaan.
Wim’s tekeningen tonen ons een zonwering, of lichtval op een muur, of simpelweg een hand. Ogenschijnlijk eenvoudige onderwerpen maar oneindig fascinerend. Zo vormen handen een eindeloos onderwerp, nooit zien ze er precies hetzelfde uit en de lichtval is altijd anders en complex. Ze hebben de mens al eeuwen, zelfs millennia lang gefascineerd. Toen zij duizenden jaren geleden in grotten voor het eerst figuratieve schilder ‘kunst’ begonnen te maken was een van de eerste voorstellingen die zij maakten een afdruk van hun hand. Wellicht ook niet verassend, want wat is er voor de hand liggender en persoonlijker voor een kunstenaar dan het af beelden van zijn eigen hand? Voor Wim vormen deze tekeningen van handen ‘zelfportretten’, en misschien gold dit voor die eerste kunstenaars evengoed.
Kijkend naar Wim zijn tekeningen van handen moet ik aan wat Martin Heidegger (vrij vertaalt) de ‘’denkende hand’’ noemt denken. Hij zegt hierover:
”Iedere beweging van de hand, in ieder van haar werken, draagt zichzelf door het element van het denken, ieder gedrag van de hand draagt zichzelf in dat element. Al het werk van de hand wortelt in denken.”
Voor Heidegger ”denkt” de hand zelf. Ook bij Wim blijkt tijdens het tekenen een soortgelijk proces plaats te vinden. Het denken van de hersenen lijkt te worden uitgeschakeld en zo ontstaat er een meditatieve status. Hierin neemt de hand het over van het denken en volgt hij louter de waarneming. De observatie is scherp en er wordt geen lijn gezet zonder dat daar een waarneming aan vast zit. Opdat de hand dit kan doen, moet er echter wel aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Wellicht de belangrijkste hiervan is de rastering, die orde aanbrengt in een anders chaotische wereld. De foto’s waarop Wim zijn tekeningen baseerd, altijd door hemzelf gemaakt, worden telkens van een rastering en nummering voorzien. Vervolgens wordt deze rastering op een blanco vel overgebracht waarbinnen de tekening zal ontstaan.
Naast handen ziet u zodadelijk schaduwen op muren, wolkenpartijen boven een dakrand en tekeningen naar foto’s van Eadweard Muybridge. Die laatste tonen een lopend paard, een rennende man of een vliegende duif. Deze beelden vinden een volmaakte balans tussen vluchtigheid en eeuwigheid. Tijdelijke en onnozele handelingen als de vleugelslag van een duif of een stap van een paard zijn dankzij Wim’s pen of potloodstreek tot monumentale en eeuwige handelingen verworden. Kijkend naar deze tekeningen lijk je je in een vacuum tussen verleden, heden en toekomst te bevinden.
Muybridge’s beroemde Human locomotion vormt al sinds het begin van Wim’s carriere een belangrijke inspiratie bron. Hij liep het als student rond 1975 tegen het lijf en het werd direct aangeschaft vanwege de overweldigende schoonheid. Dit, in combinatie met haar radicale karakter, spraken tot de verbeelding. Net als Wim’s tekeningen tonen Muybridge’s foto’s de waarneming in de meest basale vorm en tevens zijn ze, net als de foto’s die de basis zijn voor Wim zijn tekeningen, gerasterd. Dat het werk van deze twee door tijd gescheiden kunstenaars ooit samen zou komen lijkt in retrospect haast onvermijdelijk.
Wim’s tekeningen gaan uiteraard over de motieven die zij tonen, maar tevens over tekenen an sich. Door binnen een rastering te tekenen en de velden haast meditatief in te vullen, komt het tekenen als daad centraal te staan. De fysieke resultaten van deze sessies, zijn tekeningen die ergens tussen fotografie, abstractie en realisme zweven. Licht, tijd en ruimte vinden hun weerslag op papier en worden door de kunstenaar voor de eeuwigheid gevangen.
Kijkend naar deze prachtige tekeningen, denk ik eraan hoe dankbaar wij als kijkers mogen zijn dat er kunstenaars zijn die dagelijks offers brengen – ik zou er niet aan moeten denken om elke dag om 5 uur op te moeten staan – om het leven in al haar schoonheid op papier te vereeuwigen. Ik wil je daarom danken, Wim, voor het schitterende werk dat je ons vandaag zal laten zien en voor de vriendschap die we via jouw werk in de loop der jaren hebben opgebouwd.
Nu kom ik tot het einde van mijn openingswoord, en zijn we bijna aanbelandt bij het begin van de opening. Voordat ik de tentoonstelling echter tot geopend verklaar, wil ik nog het doel er van benoemen. Ten eerste de aanleiding. Toen ik Wim daar naar vroeg zei hij mij dat hij zich afvroeg:
”Wim wat wil je nog?” Waarop het antwoord luidde ”Ik zou de wereld nog wel eens een paar tekeningetjes willen laten zien.”. Een zeer bescheiden antwoord op een grote vraag, mag ik wel zeggen.
Ik nodig u uit om zo dadelijk deze ‘’tekeningetjes’’, te bekijken. Maar niet alleen dat, want we bevinden ons straks uiteraard in een galerie en niet in een museum, dus ik nodig u ook uit om naast te kijken, te kopen. In een wereld waar fortuinen worden neergelegd voor kunst van vaak twijfelachtige kwaliteit gemaakt door ‘’bekende namen’’, waar geldkranen voor subsidies regelmatig worden afgekneld, zo niet dichtgedraaid, is de rol van de particulier van voortschrijdend belang. En als ik u, ook al ben ik specialist oude meester tekeningen, een tip mag geven dan is dat deze. Koop een werk van deze hedendaagse meester, want als u tekeningen van deze kwaliteit elders wilt vinden dan verzeker ik u, dan bent u nog wel even zoet.
Dan verklaar ik hierbij de tentoonstelling voor geopend en wens ik u veel kijk en koop plezier.
Jonathan dan Otter,
Rotterdam- Charlois, zondag 1 september 2019

Roeien en ruiten.
Wim Konings (Haaksbergen, 1954) roeit. Solo, in de skiff.
Roeien is het afleggen van een afstand per boot. De afstand wordt verdeeld in parten: de halen van de roeier. Die halen zijn essentieel. Heel het lijf is bij het werk van de handen, die de roeiriemen hanteren, betrokken. Een haal is een opeenvolging van vouwen en ontvouwen van het lichaam. Bij het strekken van de armen, vouwen zich de benen. Zijn de benen gestrekt, dan zijn juist de armen gebogen. In de sequentie van buigen en strekken wordt de energie van het lichaam overgebracht naar de riemen. Het moment van de grootste kracht ligt halverwege deze complexe beweging. Iedere haal is het de uitdaging voor de roeier om energie om te zetten in snelheid van de boot.
Wim concentreert zich op de haal. Bij de uitvoering analyseert hij deze. Hij realiseert zich wat verbeterd kan worden. De volgende haal is in potentie een betere. Zo werkt Wim gaandeweg naar een steeds perfectere haal. Daarin ligt de essentie van zijn roeien.
Wim Konings tekent.
Hij voorziet zijn papier van ruiten. Zij vormen een raster. Ook zijn voorbeeld – een foto – is gerasterd. Het beeld wordt verdeeld in parten. Wim concentreert zich bij het tekenen op de delen: de afzonderlijke ruiten van het raster. Door ieder deel met de volle aandacht weer te geven ontstaat telkens opnieuw de mogelijkheid perfectie te benaderen. De delen voegen zich als vanzelf aaneen. Verschillen zijn er, geen ‘haal’ is gelijk. De optelsom van alle pogingen volkomenheid te bereiken in de delen geven het totaal een subliem karakter.
Door de verdeling van een groter beeld in kleinere delen is ook de werktijd van het tekenen opgedeeld in hanteerbare eenheden. Hierdoor is het eindresultaat een verzameling van voor altijd – mag je zeggen voor eeuwig? – verbeterde ogenblikken.
Olphaert den Otter

foto: Aad van der Bremen, 1-9-2019







Ik was het vergeten.
Nergens is het Amerikaanse grid, de kadastrale indeling van de VS in gelijke vierkanten van één mijl bij één mijl, zo verbluffend goed te zien als in Google Earth.
En het is dus ook niet zo vreemd dat Gerco daar op onderzoek uitging om het systeem van correcties te doorgronden.
Maar gaandeweg het ontstaan van het boek daarover ontstond er ook een fascinatie voor Google Earth zelf. En daar sluit Grid Corrections dan ook min of meer mee af, zonder dat we beseften dat daar het onderwerp voor een nieuw project lag.
Want als Footprint een ondertitel had gekregen, dan zou ‘Google Earth en de verwondering’ een optie zijn geweest.
Die verwondering kwam in een stroomversnelling toen Gerco mij plaatjes uit Google Earth stuurde met een soort ‘reuzentekeningen’ van vliegtuigen op het beton of asfalt van vliegvelden.
Het waren sjablonen die waren achtergebleven na het ontijzen van vliegtuigen. De-icing in het jargon van de luchtvaart. Vliegtuigen worden in de winter bespoten met een chemisch goedje, en als het vliegtuig vertrekt, blijft er een tekening van het vliegtuig achter.
Na zo’n vondst van Gerco (want het begint altijd met een vondst van Gerco), gaan we pingpongen. We sturen elkaar per e-mail commentaar, opmerkingen, nieuwe plaatjes, Wikipedia-lemma’s of zelfs gedownloade boeken, meestal obscure uitgaven. Het is eigenlijk best opmerkelijk dat we pas in een heel laat stadium met elkaar gaan praten. Feitelijk doen we dat pas in het laatste stadium.
Onze e-mailwisseling zie ik als een vorm van wat tegenwoordig artistic research heet. Een term die voor ons goed de lading dekt, want het onderzoek is zeker niet wetenschappelijk, maar vertrekt vanuit verwondering en associaties -- het is een zoektocht naar hoe van die verwondering iets kan worden gemaakt dat als kunst kan doorgaan.
Voor Footprint kwamen daar een paar sessies bij met Frank van der Stok, de vrijzwevende curator, en iemand die nooit om een idee of vergezochte associatie verlegen zit. Gerco en ik waren nog niet zoveel verder dan dat we een catalogus van die vliegtuigsjablonen wilden maken, maar in de sessies met Frank werd snel duidelijk dat die vreemde vlekken ook vragen opriepen over Google Earth als kaart.
Gerco en ik konden daarna weer vooruit met onze pingpong mails.
*
Grofweg heeft een landkaart twee functies.
Het geeft de gebruiker houvast om van A naar B te gaan. Dat is de voor de hand liggende functie.
Maar het is ook ‘een plek’ om bij te mijmeren en te dromen. En ik zeg ‘plek’, omdat in mijn beleving je met je hoofd ‘boven’ een kaart moet hangen: kaart en hoofd vormen een twee-eenheid. Dat is het beeld dat ik erbij heb.
In een landkaart bevinden die dromen zich in het wit tussen de streepjes en lijntjes en stippen en namen. De verbeelding, net als in goede poëzie, bevindt zich tussen de regels. Wat er te zien is, moet je zelf bedenken.
Google Earth heeft die leegtes ingevuld met fotografische precisie. Is het nog een kaart, kun je je afvragen. Op het eerste gezicht lijkt het te realistisch voor dromen en verbeelding. Er is geen wit tussen de streepjes.
Of zijn die vreemde vlekken die op vliegtuigen lijken misschien toch iets dat de gebruiker van Google Earth naar raadsels en dus verbeelding leidt?
En als Google Earth een landkaart is, wat zegt dat dan over hoe we voor Google Earth over landkaarten hebben gedacht? Raken we aan iets nieuws?
Ik ga u niet de antwoorden geven die we daarop vonden. Onder andere omdat die antwoorden veelal vragen waren. Nieuwe raadseltjes. Maar belangrijker, omdat Footprint als ‘boek’ de gebruiker ervan uitnodigt zelf te associëren en na te denken.
En daar begint ook meteen het eerste raadsel. Is dit een boek?
In een van onze sessies met Frank kwam al snel boven dat als we Google Earth als landkaart ter discussie wilden stellen, een verwijzing naar het oude idee van een kaart een prettige ironie zou oproepen.
Gerco kwam met zijn oude bromfietskaartje op de proppen – ooit reisde hij ermee naar een van de Waddeneilanden. Vormgever Hans Gremmen reageerde daarop met een haalbare oplossing. En in die vorm ontstond precies hoe het proces van pingpongen tussen Gerco en mij werkte.
Footprint is vormgegeven als een kaart. Maar niet om eenvoudig je weg mee te vinden, maar om zelf het wit tussen de lijntjes op te vullen. Het is een ‘kaart’ die door het in- en uitvouwen een scala aan combinaties tussen beeld en tekst, en beeld en beeld oplevert.
Het is een dwaalkaart door de raadsels van kaarten, ironisch genoeg met materiaal uit de meest realistische aller kaarten: Google Earth.
Het levert ongevouwen en ongesneden ook een editie van twee Google Earth ‘kaarten’ op van zo’n acht vierkante kilometer Oklahoma, dat ongeveer samenvalt met Will Rogers World Airport van Oklahoma City.
Is het een kaart of een afbeelding? En hoe vinden we onze weg langs de lijnen die eruit zien als de contouren van tien vliegtuigen?
Of wat te denken van de andere kant van deze kaart, waarin op deze acht vierkante kilometer de lagen zijn afgegraven die Google Earth ervan verzamelde. Archeologie, geologie, tijd en ruimte in een onmogelijk samenzijn versmolten.
U hoort hopelijk in mijn verhaal dat het voor Gerco en mij heerlijk was om hieraan te werken en er in samenspraak met Frank van der Stok en Hans Gremmen een vorm voor te vinden. Hans is met FW:Books bovendien ook de uitgever.
We zijn ook dank verschuldigd aan Het Rotterdamse Makersfonds Stichting Droom & Daad, Het Mondriaanfonds voor financiële ondersteuning, en Drukkerij Rob Stolk voor de ingebrachte expertise. En uiteraard ook Hans Walgenbach voor de gastvrijheid van deze presentatie.
Eerste exemplaar
Bij een boekpresentatie hoort ook iemand die het eerste exemplaar in ontvangst neemt.
We lieten ons oog vallen op Lex ter Braak.
Waarom?
Vorig jaar verscheen de eerste roman van Lex: Levensvormen (Van Oorschot, 2021). Ik las die roman met rode oortjes: het ging over landschappen, parken, kaarten, herinnering, geschiedenis en het belang van kunst in het leven. Allemaal onderwerpen waarover ik zelf ook graag schrijf.
Maar wat me vooral raakte in het boek was het onverholen pleidooi voor de conceptuele aspecten van kunst: kunst als een vorm van denkarbeid – zonder excuus, maar in volle overtuiging.
Precies wat we in Footprint in de praktijk proberen te brengen.
Voor Gerco kwam er nog een mooi persoonlijk detail bij.
In 1999 presenteerde Lex als directeur van de Vleeshal in Middelburg een tentoonstelling over drie landschapsfotografen: Elger Esser, Jan Koster en Gerco.
Gerco maakte toen nog foto’s met zijn vlieger. Nu verzamelt hij foto’s met de vlieger die Google Earth boven de wereld heeft hangen.
Op de uitnodiging prijkte een landschap van de zeventiende eeuwse schilder Philips Koninck. Mijn favoriete schilder van het Nederlandse landschap, die ook van bovenaf kijkt.
Verleden, heden en verwantschap – het komt allemaal samen bij Lex.
Daarom bieden wij hem met trots het eerste exemplaar aan van boek en editie aan.
In zijn dankwoord zei Lex dat toen hij de kaart helemaal openvouwde hij het idee had dat hij een landingsbaan voor de geest voor zich zag.... 
EEN DEUR IN HET BOS
Enige tijd geleden kreeg ik het boek ‘Een antropoloog op Mars’ in handen. De schrijver, neuroloog Oliver Sacks (van ‘The man who mistook his wife for a hat” en bij een groter publiek bekend van de verfilming van ‘Awakenings’) vertelt in eerstgenoemd boek over een man die in zijn vierde levensjaar blind werd. Op zijn vijftigste onderging deze een operatie waardoor hij weer voor 80% zicht had. Probleem was echter, dat hij met zijn ogen wel opeens van alles kon waarnemen, maar dat zijn hersenen grote moeite hadden om de beelden te interpreteren.
Hij was opgetogen dat hij vanuit het raam van zijn woning naar beneden kon kijken en allerlei kleurvlakken voorbij zag schieten, maar anderen moesten hem vertellen dat die kleuren de daken van auto’s waren. Voor hem waren de auto’s op straateen aanzwellend en wegstervend motorgebrom en de reuk van uitlaatgassen. Objecten en mensen waren voor hem alleen aanwezig als ze geluid maakten of als hij ze kon aanraken. In ruimtes waarin hij zich regelmatig bevond wist hij dat hij na een bepaald aantal stappen tegen een tafel zou botsen, of dat een muur de begrenzing van die ruimte zou zijn.
Met enige inspanning kon hij wel leren om een relatie te leggen tussen objecten in zijn woning die hij kon aftasten en die nu opeens ook zichtbaar waren, maar hij begreep niets van de zwarte vlek die steeds opdook in de kamer. Die veranderde voortdurend van vorm en grootte. Ze zeiden dat het de hond was die heen en weer liep. Een andere keer bleek het toch de kat te zijn.
In deze verhandeling wordt het duidelijk dat visuele prikkels alleen zinvol zijn als onze hersenen in staat zijn om ze te duiden. Ik begreep opeens hoe ik intuïtief de foto’s selecteerde die ik het waard vond om af te drukken. In deze printsspeelt steeds de vraag wat je nu eigenlijk ziet. Een hardlopend poppetje met grote handen blijkt in werkelijkheid een gat te zijn die uit een dikke aluminium plaat gezaagd is.
Wij hebben geleerd om spiegelingen als zodanig te interpreteren. Als ik bij een etalage sta, zie ik mezelf en alles achter mij reflecteren in het glas. Maar ik kan het negeren en mij concentreren op de objecten in de etalage. In een foto krijgt alles dezelfde aandacht, net als de patiënt van dr. Sacks dat deed. Daar kan je in de fotografie gebruik van maken door twee zaken die niets met elkaar gemeen hebben met elkaar verbinden, zoals een zonsopgang en een TV-beeld dat reflecteert in het raam. Door de combinatie ontstaat een bepaalde spanning.
De meeste foto’s heb ik met mijn mobiel gemaakt en daarbij kan ik de scherptediepte niet instellen: achtergrond en voorgrond zijn even nadrukkelijk in beeld. Dat kan je als fotograaf ook uitbuiten. In de foto van de vrouw die de ramen zeemt met de zee op de achtergrond zijn de druppeltjes op het glas haarscherp terwijl het bootje ver weg op zee ook duidelijk herkenbaar is. Je moet raden dat er een raam is, want de omlijsting ervan is niet te zien op de foto. Bij de stoffige afdruk van een duif op het raam is de vervreemding nog groter.
De patiënt van dr. Sacks wist ook niet hoe hij met schaduwen om moest gaan. Als hij langs een hek liep, en de zon scheen door de spijlen, kwamen er allemaal zwarte strepen op het wegdek. Kon hij er dan op gaan staan of struikelde hij erover?
Het is niet per ongeluk dat in mijn foto’s regelmatig silhouetten voorkomen. Het is verbazingwekkend hoe goed mensen die hun hele leven hebben kunnen zien in staat zijn om in de meest uiteenlopende vlekken de omtrekken van een mens te herkennen. Of het hoofd van het fictieve personage Sherlock Holmes.
Mijn foto’s zijn niet geënsceneerd of digitaal gemanipuleerd. Soms zet ik een horizon recht, maak de foto wat donkerder of lichter, of maak ik een uitsnede, maar verder laat ik mijn mobiel dingen registreren op bijna dezelfde manier als de blinde man die weer ging zien. Mijn keuze werd vooral gestuurd door de vraag: wat zie ik nu eigenlijk en hoe ga ik daarmee om?
Een deur in het bos, dat kan toch niet?
Marcelle van Bemmel - 2020








