Ben Zegers

25.02.2019

Gouwstraat 15
3082BA Rotterdam
open: vrijdag van 13 – 19 uur, zaterdag van 13 -17 uur en op afspraak
info@walgenbach.nl
+31 6 393 11 695

Tentoonstelling  
3-3 tot 31-3-2019 
Ben Zegers 
‘Souvenirs’
klein werk in diverse technieken
 Ben Zegers (1962) verstoort de maat van de dingen, maakt alles dat maatvast is maatloos, maakt alles dat diepte heeft plat en andersom. Zijn beelden zijn in vorm en inhoud zo elastisch dat ze onophoudelijk van identiteit veranderen. Het bestaan wordt gevat in een aanschouwelijk model, inschikkelijker dan de werkelijkheid. Met deze macht over inhoud en materie kan hij het bekende beeld tot zijn eigen beeld omvormen. Zijn beelden (stapelingen van herkenbare objecten en constructieve elementen), zijn knipsels en zijn (gefotografeerde) maquettes van bekende taferelen, het zijn altijd beelden die onderweg zijn naar hun bestemming, niet te duiden door zijn onophoudelijke spel met herkenbaarheid, proportie, functie en betekenis. 

Zegers werk bevindt zich o.a. in de collecties van Museum Boijmans van Beuningen, Haags Gemeentemuseum en de Caldic Collectie. Momenteel werkt hij in opdracht van Stadsontwikkeling en S.I.R. aan een sculptuur voor de Binnenrotte in Rotterdam.

Caroline Peters, ‘Rapiaria’

07.01.2019

Opnieuw gebonden drukwerk als assemblages. We worden overspoeld met alle soorten drukwerk en vlakken vol typografie en afbeeldingen.
Het stapelt zich om ons heen op. Eigenlijk bekijken we het niet eens meer aandachtig. Iedere manier van communiceren via drukwerk is
voorspelbaar en doelgroep gericht ingepalmd.Door de tijden en genres te mixen of te contrasteren binnen nieuwe vergaarthema’s kan het uiterlijk je ineens weer veel meer opvallen dan de inhoudelijke boodschap die het binnen een geproduceerd keurslijf had. Informatief, educatief, degelijk,
glamour, commercieel, kunstzinnig, antiek, hip, nietszeggend of slecht.
Aan mij de taak de nietszeggende boel opnieuw te sorteren, combineren en binden tot een nieuw beeldend associatief uniek geheel. 

Autobio

Ik groeide op in mijn kamertje te Den Haag naast de Staatsuitgeverij onder het ritmische gepuf van de persen die dagelijks draaien. Mijn vader was grafisch ontwerper die thuis aan de grote tafel met schaar, lijmtube, transparantje en picalatje moest puzzelen voor brood op de plank. Soms zat ik naast hem met mijn schaar om ook iets te knippen en plakken op mijn manier. Als tiener werd mn mening al gevraagd over de plaatsing van een paginanummering, de interlinie of in welk corps het fotobijschrift het beste was. Het bladspiegelgevoel is me als het ware met de ‘papschaar’ ingegoten.Hoewel ik van oerlelijke kinderboeken hield, heb ik met de tijd mijn esthetische smaak ontwikkeld, maar gelukkig nooit mijn zak voor lelijk drukwerk verloren. Zoals de reclamefolders in schreeuwende kleuren die op geen waaier te vinden zijn. Het drukwerk in wanstaltig lettertype lijkt zo van een oud Letrasetvel gewreven. Er is geen stukje van het papier onbenut. Dat misdrukwerk ligt
overal om ons heen voor het oprapen. Mijn vergaarbak met afvaldrukwerk neemt dan ook snel een enorme omvang aan. De wens een eigen boek te maken tijdens mijn ‘analoge’ kunstacademie (eindexamen 1987) dreef mij naar de zeefdruktafel en een boekbindcursus. Veel later, op een moment van pure verveling en wanhop, ontstond het eerste recycleboekje met een grote luciferdoos als omslag. Alles wat ik al lang verzameld had werd daarna, tot op de dag van vandaag, bewerkt en in elkaar genaaid en geplakt in de hoop dat het overal en nergens op een plank komt te staan. Gekoesterd, vergeten en veel verkast. En, tenslotte, …opnieuw afgedankt.

Caroline Peters
caropeters.nl

L’homme qui rit.

01.12.2018

Toespaak Arie van Geest bij de opening van de tentoonstelling van Sjef Henderickx, 16 december tot 26 januari 2019

In een helder atelier in Schiedam bevindt zich ergens op een kast tussen allerlei prullaria een object trouvé. Een nietig bootje, bedekt met modder en schelpjes. Halverwege de jaren 70 werd het door Sjef Henderickx gevonden in een toen juist drooggelegde poldervaart in Kethel. Een sentimentele scherf uit de verloren tijd. Ooit het speelgoed van een kind maar nu een gehavend miniatuur wrak met een poëtische lading waaraan niets is toe te voegen.

Het is zonneklaar. Sjef Henderickx is niet voor een gaatje te vangen.

Al bijna een halve eeuw werkt hij als beeldend kunstenaar aan een consistent oeuvre, waar verschillende disciplines als beeldhouwen, schilderen en tekenen worden ingezet. Al naar gelang het beeld dat hem voor ogen staat. Maar er is meer.

Als men zijn Schiedamse atelier bezoekt, wordt men overspoeld door een raadselachtig transito-universum boordevol attributen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben maar die zich in essentie in de wachtkamer bevinden om ooit een rol van betekenis te kunnen spelen in de vrijstaat waar Sjef het voor het zeggen heeft. Vanzelfsprekend is dit atelier het domein van een man die beelden wil verwezenlijken, maar het is tevens de broedplaats van een alchemist, de opslagruimte van een archeoloog, het kabinet van een filosoof een mini-museum van een verzamelaar die reflecterend op zijn directe omgeving het onbenoembare voor het voetlicht wil zien te krijgen.

Op zeer jeugdige leeftijd trad Sjef reeds toe tot het gilde der museumdirecteuren. In de schuur achter zijn ouderlijk huis richtte hij in die dagen een museum in om kinderen uit de buurt kennis te laten maken met vondsten die hij in de natuur had opgedoken. Op 15-jarige leeftijd deed hij in de klei van de Vlaardingse Broekpolder zijn eerste opgraving. Objecten aangetroffen in zijn directe omgeving, zowel in als boven de grond zijn van meet af aan van grote invloed geweest op de imaginaire wereld die hij als beeldend kunstenaar in kaart is gaan brengen.

Een typisch voorbeeld van zijn manier van werken is de sculptuur ’t Lam dat hij ontwierp voor de herinrichting van de Schiedamse St. Janskerk in 2010. Met de ruim duizend brokstukken van beelden en altaren die tijdens de beeldenstorm van 1572 door de watergeuzen uit Den Briel werden vernield en die tijdens de restauratie van de kerk vlak na de tweede Wereldoorlog onder de vloer werden gevonden om vervolgens voor een periode die langer dan vijftig jaar zou duren naar de zolder van het Stedelijk Museum van Schiedam te verhuizen, ontwierp hij een vier meter hoge zuil van gewichtloze stenen die oprijzen uit een stalen ronde schaal en die bovenin a.h.w. samensmelten in de vorm van een gefragmenteerd lam.

Sinds 2002 pendelt Sjef letterlijk tussen twee werelden heen en weer. Te weten zijn artistieke territorium in Schiedam en zijn maison secundaire in Bégadan, een gehucht in het Franse departement de Gironde.

In de zomer van 2017 ontstonden in zijn Gallische tekencaravan met uitzicht op de kleine, lokale vuurtoren Le Tour de By binnen zes weken 99 werken op papier die hij de titel L’Homme qui rit meegaf en waarvan er momenteel een aantal te zien zijn in deze ruimte. 

In 1869 schrijft Victor Hugo de filosofische roman L’Homme qui rit waarin de levenswandel uit de doeken wordt gedaan van het tienjarige, haveloze kind Gwynplaine, een protagonist getooid met de grimas die eigenlijk een verminking is en die moet vechten tegen de nacht, de sneeuw en tegen de dood.

Sjef Henderickx  goochelt die zomer uit een potje dat gevuld is met een mix die bestaat uit restjes inkt, walnotenschillen en retoucheverf uit de jaren dertig met grote trefzekerheid een waar leger van anonieme schimmen op papier, schimmen die o.a. worden aangetast door trechters, vogelveertjes, slakken, spechten, paddenstoelen en andere fenomenen uit de vrije natuur. Aantasting, verval, kwetsbaarheid, maar tegelijkertijd een uiterst transparante schoonheid zijn de belangrijkste kenmerken uit deze serie vol lucide vaak wat strompelende wezens die getooid gaan met de grijns van het kind uit het brein van Victor Hugo.

Onder invloed van de maritieme omstandigheden in het specifieke licht van de Médoc, het gebied  ingesloten tussen de Atlantische Oceaan en de Gironde ontstond bij Sjef een aantal jaren geleden het idee om er ter plekke op de grens van het water en het land een poëtische schuilplaats te gaan realiseren: La Cabane des Hirondelles, een toevluchtsoord voor zwaluwen.

Een bescheiden onderkomen van vijf meter lang, vier meter breed en twee meter tachtig hoog, de muren moeten worden opgebouwd naar een traditie van de lokale oesterkwekers om lege schelpen als saté op stalen pennen te rijgen en die vervolgens te gebruiken om oesterbroed op te zaaien, het dak wordt bedekt met Jacobsschelpen die verwijzen naar de pelgrims die de Girondehavens aandeden om vervolgens hun voettocht naar Compostella te vervolgen, aan de voorkant bovenin een kleine ingang voor de duikacrobaten van de wind en aan de zijkanten een aantal roeispanen. Mocht de zondvloed zich ooit weer aandienen dan zal deze poëtische, hedendaagse ark zich moeiteloos naar veiliger oorden kunnen begeven.

Een utopisch verlangen van een romanticus die het leven als een laboratorium ervaart, die dromen in de werkelijkheid wil plaatsen en die gelooft in de schoonheid van de ziel.

Deze bescheiden tentoonstelling bewijst dat hij in staat is om deze complexe materie op een heldere, maar vooral indringende manier te visualiseren.

Arie van Geest

30-10-2018

home page bericht

01.01.2014

Walgenbach Art & Books is specialized in art books and organizes small exhibitions in the field of visual arts.

Artists and art books, photography, the cultural life and history of Rotterdam are the focus areas of the shop.

Please contact info@walgenbach.nl for selling books that fall within the specializations of the shop.

Walgenbach Art & Books, Gouwstraat 15, 3082BA Rotterdam.  Open: Friday, Saturday and Sunday from 13:00 – 17:00 h. and by appointment,                     tel. +31 6 393 11 695.


Cold Turkey Press;    Derrière le Miroir   Fw: books;   Hatje Cantz;   Hanuman Books;   Imschoot Uitgever;   Letter Edged Black Press Inc.:   Museum Boijmans Van Beuningen;     Point d’ironie, Agnes b.;     Publishing House Bébert;    Roma Publishers;    Scalo;   Stedelijk Museum Amsterdam;   Steidl;   Van Abbemuseum;    Van Zoetendaal Publishers:     Wendingen;     Walther König:   Witte de With ; 

Speech Kees Weeda voor Maria Ikonomopoulou 8-3-’20

07.11.1960

Lieve Maria, geachte dames en heren,

Op mijn werktafel thuis staat een standaard, zo’n mooie perspex standaard die je in de betere boekwinkels ziet. In die standaard staat een boek, een onleesbaar boek, waar ik toch veel in lees. De pagina’s staan vol lijntjes, streepjes, puntjes, maar die vormen geen letters. En toch lees ik erin.

Zelfs voor een groep mensen voor wie metaforen en paradoxen dagelijkse kost zijn, moet ik dat waarschijnlijk wel even uitleggen.

Het boekje dat eigenlijk meer de omvang heeft van een brochure is gemaakt door twee kunstenaars: Maria Ikonomopoulou en Anastasia Mina. Ieder maakte 6 tekeningen en 1 maakten ze samen. Het heeft twee voorkanten en geen achterkant: als je het werk van de ene kunstenaar hebt bekeken, moet je het boekje omdraaien om de bijdrage van de ander te zien. Of doorbladeren maar dan zie je een helft van het boekje op zijn kop.

Wat tegelijkertijd op subtiele wijze de kwestie van onder- en bovenkant in abstracte kunst aan de orde stelt….

Het is geproduceerd op Moleskin Folia zuurvrij 100 grams papier. De omslag is van het beste Engelse aquarelkarton van Saunders Waterford, 4-zijdig verlijmd, 300 grams, zuurvrij en verouderingsbestendig.

(Dit om u een beeld te geven)

Het heet ‘syn[chrono]sides – met twee haken rondom het woorddeel chrono. Ik kocht het in 2014.

Hoe kun je lezen in een boek waarin geen letters staan.

Je kunt er alleen in kijken, zou je zeggen en in de eerste jaren dat ik het werk had, deed ik dat ook.

Maar op een gegeven moment merkte ik dat ik anders naar de pagina’s ging kijken: ik begon ze te lezen. (Lezen en voelen want er zitten pagina’s tussen die als een brailleschrift alleen kleine puntjes bevatten.)

En toen ‘las’ ik het verhaal van Maria.

Toegegeven, ik heb wel enige voorkennis, maar dan nog, is het fascinerend om te bedenken hoe dit werk een soort pars pro toto is voor het oeuvre van Maria.

De precisie, de liefde, de verbeeldingskracht en de schoonheid van al haar werk weerspiegelen zich in de bladzijden van dit boekje. En als u straks het oeuvreboek hebt gekocht, zult u zien – voor zover de kenners dat nog niet wisten – dat al haar werk door die eigenschappen wordt gekenmerkt.

En dan dient zich – althans bij mij – een fascinerende tegenstelling aan, die dat misschien helemaal niet is, maar for he sake of the argument, neem ik even aan van wel.

Wie Maria en haar biografie kent, zou zich kunnen verbazen over de fijnmazigheid, misschien zelfs de onnadrukkelijkheid van haar werk. Een gesprek met haar gaat al snel over politiek, over de rol van kunst en kunstenaar in de samenleving over het bedroevend weinig geld dat we in dit land over hebben voor de verbeelding en over het onrecht van de wereld in het algemeen.
In zo’n gesprek zie je Maria’s onverschrokken moed en doorzettingsvermogen. Eigenschappen die je hard nodig hebt, ook in een land waar alles zo goed geregeld lijkt. Hebben jonge kunstenaars het na hun opleiding in het algemeen al niet eenvoudig om een beroepspraktijk op te bouwen, het wordt nog wel een stukje ingewikkelder als je de taal nog aan het leren bent en geen verblijfsvergunning hebt. Dan kan je alleen overleven door allerlei baantjes aan te pakken, je te laten bijscholen, zodat je les kunt gaan geven in het onderwijs – bij voorkeur aan kinderen in achterstandswijken.

En intussen aan het werk blijven, lang en intens aan het werk blijven.

In zijn prachtige biografische schets over Sjostakowitsj schrijft Julian Barnes:

“”De kunst is de fluistering van de geschiedenis die boven het tumult van de tijd uit is te horen.””

Preciezer zou ik het werk van Maria niet kunnen typeren. Het is niet het grote gebaar van installaties, vuistdikke verf op vele vierkante meters linnen of maatschappijkritiek in your face.

Zelfs in haar monumentale werk in opdracht, zoals bijvoorbeeld het talismankabinet voor het Ronald Macdonald huis uit 1998, vermijdt ze het grote gebaar en zoekt ze de compassie met de wereld in de precisie van haar beeldende kracht .

Of de interventie bij de kunstbeurs van Athene in 2010: een serie groenten en kruiden in potten op de trappen van het gebouw, met daarboven als een guirlande uitgeknipt de titel van het werk: Growing Hope - in mijn ogen de belangrijkste drijfveer voor haar kunstenaarschap.

Gefluisterde hoop die door het patina van de tijd alleen maar sterker en mooier zal worden.

Hé, daar ben je, zei Maria toen ze langskwam om het werk op te halen dat ze wilde fotograferen en het schilderijtje zag dat we in 1994 of daaromtrent van haar kochten. Ze tikte het voorzichtig even op de bovenkant aan en op dat moment begreep ik waarom een kunstenaar de behoefte voelt om haar werk te documenteren, zoals we kunnen zien in de Anthology.

Het is natuurlijk primair om een overzicht te produceren maar het is zeker ook om de behoefte het werk nog een keer vast te houden, te zien of er goed voor wordt gezorgd.

Zelf heeft ze er een dubbel gevoel over: enerzijds biedt zo’n monografie een goed beeld van haar kunstenaarschap maar anderzijds is reflecteren op haar eigen werk niet Maria’s grootste liefhebberij. Ik word gelukkiger, zegt ze, van dingen maken, niet per se van erop te reflecteren.

Het schilderijtje waarop Maria tikte is een klein kinderportret in verf op hout, een intrigerend, enigszins asymmetrisch gezicht van een kind dat de toeschouwer aankijkt. Sober van kleurstelling en met een grote impliciete zeggingskracht. Het portretje is geschilderd op triplex, links en rechts zijn twee paneeltjes gemonteerd, zwart geschilderd waarmee het beschilderde paneeltje in het midden kan worden afgesloten. Als je dat doet (“als je er even genoeg van hebt om naar te kijken”, zei Maria toen) hangt er een zwart vierkant aan de muur.

Het werk dateert uit 1994 en in de loop van de jaren begon ik na te denken over de vraag waarom ik het zo’n intrigerend vond.

In de late 14e eeuw ontstond de snelle opkomst van de triptiek, voornamelijk als een altaarstuk, waarvan niet alleen de voorkant(en) maar soms ook de achterzijden waren beschilderd. Een efficiënte manier om een verhaal te vertellen; als het stuk los in de ruimte staat heeft de schilder zes beelden om zijn verhaal te vertellen, zes beelden (en twee als de panelen gesloten worden getoond) die een samenhangend verhaal laten zien.

In Maria’s ‘triptiek’ van het kindergezicht is slechts 1 paneel geschilderd, de vijf andere zijn zwart. Open meet het werk 69x34 cm. Als de panelen gesloten zijn, hangt er een vierkant, zwart stuk hout van 34x34x5cm aan de muur. En dan ligt ineens een andere associatie voor de hand, namelijk met het suprematistische zwarte schilderij van Kazimir Malevitsj.

De 14e eeuw en Malevitsj, die samenkomen in een klein portret.  Langzaam dringt het mysterieuze van het schilderij zich op. Wat in eerste instantie een handreiking aan de beschouwer lijkt te zijn, is een opening naar de mystiek van de schilderkunst: hier hangt een kunstwerk dat de traditie van de 14e eeuwse picturale verteltraditie combineert met een van de belangrijkste vernieuwingen in de schilderkunst: het absolute nul, dat Malevitsj wilde bereiken. En de associatie gaat nog een laag dieper. Het "Zwart Vierkant" was bij de tentoonstelling in 1915 in St. Petersburg helemaal bovenaan in ‘de gouden hoek’ van de kamer geplaatst, waar Russen hun christelijke iconen ophangen.

Open de luiken van het schilderij van Maria Ikonomopoulou, kijk naar het kinderportret met de witte kanten kraag en je begrijpt wat ze heeft gemaakt: een prachtig icoon.

Ik heb overigens de luiken niet vaak dichtgedaan.

En dat, dames en heren, is nog maar een enkel voorbeeld van het moois dat in de prachtige Anthology te zien is.

Bij mij thuis komt hij te liggen naast de perpex standaard.

Dank voor uw aandacht.

Kees Weeda

8 maart 2020