Marenne Terlingen

08.03.1969

Toespraak Marjolijn van den Assem

Het waren vervreemdende tien jaren voor mijn hartsvriendin en collega Marenne Terlingen.
Ik dacht aan een gedicht van Innokenti Annenski:

‘Nee, ik wil niet, ik wil niet!
Wat? Geen mens, geen houvast, geen route?
Dooft de kaars door ‘t ademen uit?
Stil … ga nu op handen en voeten!’

En zó redde ze zich.
In den beginne richtte Marenne zich op de Vesuvius, die ze beeldend ontgon, 
totdat alle lava vrucht had gedragen.
De verbazing die dat opriep maakte weerbaar.
Weerbaar? Vechtlustig!

Marenne betrad de boksring, waarvan ze constateerde dat hij vierkant is
en ze liet zich alle hoeken van de ring zien.
Vedergewicht is haar categorie, krap 57 kilo mag men daarin wegen, schoon aan de haak.
In die blote, botte, geharnaste toestand bevocht ze haar drijfveren en ziedaar …
dat schiep tegenwicht.

We kunnen hier nu haar zielenroerselen volgen, verpakt in avontuur en veelzijdigheid.
Vederlicht zoals het een vedergewicht betaamt, maar ook
behendig omfloerst en zo ontwijkt ze onze interpretatie.
Op gevonden kartonnen, opgeraapte papieren, scheurde en schilderde ze, 
tekende en kraste ze, terwijl de spuitbus haar nog het meest bekoorde.
Ze schrijft zichzelf.

Het woord om en om gekeerd tot het zich voordoet als standpunt, openbaring, ontsnapping.
Tot er geen speld meer tussen te krijgen is,
tot de schoonheid er op volgt.

Men noemt haar wel ‘de vlinder’, 
wellicht omdat ze -soms incognito, weggedoken in de cocon van Vincents te grote jas- 
stoer op haar fiets de stad befladdert, 
lichtvoetigheid is de tegenhanger van de ernst.
Mohammed Ali, onze boksheld vatte zo het hele leven samen in:
“Float like a butterfly, sting like a bee”.

Dat is wat ze deed en ze tekende het ons voor.
De weerslag daarvan zien we hier in een album bijeen,
omdat Hans Walgenbach er de noodzaak van inzag.

‘Het werk maakt dat ik besta’ zei Marenne me onlangs, 
kernachtiger kan een kunstenaar het niet verwoorden.
Het synoniem van ‘verdergewicht’ is ‘pluimgewicht’,
een lauwerkrans voor een zwaargewicht die niet is gezwicht
maar vocht en overwon.

Keer op keer realiseren we ons
de zinvolle – zinloze – hoopvolle – hopeloze functie van kunst.
Misschien wel ons enige houvast.
Maar vooral de meest intense mogelijkheid tot medemenselijkheid.

Daarom wordt het joie de vivre van Marenne Terlingen hier tentoon gespreid,
lees het, vang het op, want de tentoonstelling is vanaf nu geopend!

Marjolijn van den Assem

Ben Zegers

25.02.1969

Gouwstraat 15
3082BA Rotterdam
open: vrijdag van 13 – 19 uur, zaterdag van 13 -17 uur en op afspraak
info@walgenbach.nl
+31 6 393 11 695

Tentoonstelling  
3-3 tot 31-3-2019 
Ben Zegers 
‘Souvenirs’
klein werk in diverse technieken
 Ben Zegers (1962) verstoort de maat van de dingen, maakt alles dat maatvast is maatloos, maakt alles dat diepte heeft plat en andersom. Zijn beelden zijn in vorm en inhoud zo elastisch dat ze onophoudelijk van identiteit veranderen. Het bestaan wordt gevat in een aanschouwelijk model, inschikkelijker dan de werkelijkheid. Met deze macht over inhoud en materie kan hij het bekende beeld tot zijn eigen beeld omvormen. Zijn beelden (stapelingen van herkenbare objecten en constructieve elementen), zijn knipsels en zijn (gefotografeerde) maquettes van bekende taferelen, het zijn altijd beelden die onderweg zijn naar hun bestemming, niet te duiden door zijn onophoudelijke spel met herkenbaarheid, proportie, functie en betekenis. 

Zegers werk bevindt zich o.a. in de collecties van Museum Boijmans van Beuningen, Haags Gemeentemuseum en de Caldic Collectie. Momenteel werkt hij in opdracht van Stadsontwikkeling en S.I.R. aan een sculptuur voor de Binnenrotte in Rotterdam.
 
 
Opening speech by Q.S. Serafijn 3-3-2019Download
 
 
 

Caroline Peters, ‘Rapiaria’

07.01.1968

Opnieuw gebonden drukwerk als assemblages. We worden overspoeld met alle soorten drukwerk en vlakken vol typografie en afbeeldingen.
Het stapelt zich om ons heen op. Eigenlijk bekijken we het niet eens meer aandachtig. Iedere manier van communiceren via drukwerk is
voorspelbaar en doelgroep gericht ingepalmd.Door de tijden en genres te mixen of te contrasteren binnen nieuwe vergaarthema’s kan het uiterlijk je ineens weer veel meer opvallen dan de inhoudelijke boodschap die het binnen een geproduceerd keurslijf had. Informatief, educatief, degelijk,
glamour, commercieel, kunstzinnig, antiek, hip, nietszeggend of slecht.
Aan mij de taak de nietszeggende boel opnieuw te sorteren, combineren en binden tot een nieuw beeldend associatief uniek geheel. 

Autobio

Ik groeide op in mijn kamertje te Den Haag naast de Staatsuitgeverij onder het ritmische gepuf van de persen die dagelijks draaien. Mijn vader was grafisch ontwerper die thuis aan de grote tafel met schaar, lijmtube, transparantje en picalatje moest puzzelen voor brood op de plank. Soms zat ik naast hem met mijn schaar om ook iets te knippen en plakken op mijn manier. Als tiener werd mn mening al gevraagd over de plaatsing van een paginanummering, de interlinie of in welk corps het fotobijschrift het beste was. Het bladspiegelgevoel is me als het ware met de ‘papschaar’ ingegoten.Hoewel ik van oerlelijke kinderboeken hield, heb ik met de tijd mijn esthetische smaak ontwikkeld, maar gelukkig nooit mijn zak voor lelijk drukwerk verloren. Zoals de reclamefolders in schreeuwende kleuren die op geen waaier te vinden zijn. Het drukwerk in wanstaltig lettertype lijkt zo van een oud Letrasetvel gewreven. Er is geen stukje van het papier onbenut. Dat misdrukwerk ligt
overal om ons heen voor het oprapen. Mijn vergaarbak met afvaldrukwerk neemt dan ook snel een enorme omvang aan. De wens een eigen boek te maken tijdens mijn ‘analoge’ kunstacademie (eindexamen 1987) dreef mij naar de zeefdruktafel en een boekbindcursus. Veel later, op een moment van pure verveling en wanhop, ontstond het eerste recycleboekje met een grote luciferdoos als omslag. Alles wat ik al lang verzameld had werd daarna, tot op de dag van vandaag, bewerkt en in elkaar genaaid en geplakt in de hoop dat het overal en nergens op een plank komt te staan. Gekoesterd, vergeten en veel verkast. En, tenslotte, …opnieuw afgedankt.

Caroline Peters
caropeters.nl

Inleiding tot de persoon en het werk van j.’P alias 

11.01.1967

Inleiding tot de persoon en het werk van j.’P alias 

Door Jozef van Rossum, bij de opening van de tentoonstelling ‘boeKKenwerK’ van Jos Deuss en j.’P alias bij walgenbach art & books 

Rotterdam,  5 februari 2023  

Ik ben zeer vereerd dat ik dit openingswoordje mag verrichten bij het werk van Jos, of wel j.’P alias, in de tentoonstelling boeKKenwerK.

Maar eerst wil ik wat rugtitels noemen die op mijn plank bleven liggen na het schrijven van dit praatje, die rugtitels behandel ik verder niet. 

een tuner vergrendelen

een getijdenboek kopen

de statenbijbel in de kachel

boeken zijn niks waard

achter gaas die boeken!

de boekenwurm en het boekenbal

Lambert Oliemeulen

Joseph Hagen

Als eerste heb ik de uitnodiging bestudeerd en daar zie ik een foto van een stapel boeken op een weegschaal en die stapel blijkt van enorm gewicht.  

Dat zou een pleidooi kunnen zijn voor het e-book.

Verschillende mensen ken ik die daar bij zweren, maar dat is informatie van een paar jaar geleden, of het nu nog zo is betwijfel ik.  

Zelf heb ik ook veel boeken, het zwaarste boek dat ik heb, heb ik hier gekocht en het weegt 3,4 kg. Speciaal voor deze mededeling heb ik zwaardere weg gedaan, ik spreek dus de waarheid. Boeken over kunst zijn meestal de zwaarste en de onhandigste. 

Onhandig van formaat vooral. 

Er is zelfs een kunstenaar die het nodig vond om loden boeken te maken: Anselm Kiefer.

De uitnodiging ook toont een foto van een stapeltje dat ik interpreteer als het topje van de toren van Babel en dat is dan het topje van de spraakverwarring. Uit spraakverwarring komen ook hele mooie dingen: zo dacht een Japanner dat het liedje er was er eens een vrouw dit koekenbakken wou het Nederlandse volkslied was. maar ik dwaal af. We zijn niet in Japan maar in Nederland en ik wil u meenemen naar Dordrecht. 

Jos en ik komen van dezelfde akademie en die is in Tilburg. 

Jos is daar wel wat eerder geweest als ik, want hij stamt nog uit de tijd dat de directeur persoonlijk alles voor het zeggen had. Jos woonde in een boerderij tijdens zijn studietijd en toen hij na zijn studie als tekendocent (1 jaar lang) voor de klas kwam te staan werd hij door de directeur van onze akademie aangesproken. Die directeur vertelde hem dat nu Jos leraar was, hij niet meer in die boerderij mocht wonen: het was geen stijl, geen goed voorbeeld, een schande etcetera. 

Jos volgde zijn advies op en is toen naar Dordrecht verhuisd. Maar hij hing ook zijn docentschap aan de wilgen om er zich als restaurator te vestigen. Of die directeur het daar mee eens zou zijn geweest valt niet meer te achterhalen.

In Dordrecht, in de Hofstraat op de begane grond heeft Jos zijn werkplaats.

Jos restaureert schilderijen in een kleine ruimte waar misschien wel

vijftig schilderijen staan, meestal negentiende eeuwse genrestukken en 

portretten, een ruimte die ook een negentiende eeuws schildersatelier lijkt. 

Eigenlijk heb ik de hele week aan die sfeervolle ruimte gedacht. Dat werd versterkt door het feit dat ik er mijn pet had laten liggen. De tijd heeft er zijn plaats, het verleden kijkt je letterlijk via portretten aan. Het huis van Jos en Geerten boven de werkplaats is overvol en spannend. 

Het huis is nadrukkelijk IKEA-VRIJ, dat bevalt me ook zeer.

Jos heeft de Paljas als tweede natuur aangenomen. 

Een comediant die graag op onderzoek uitgaat en die vooral zijn eigen wereld schept in het verborgene. In Pictura zoekt Jos dan ook vaak de kelder op of een verborgen ruimte achter de grote panelen van de tentoonstellingszaal. Hij zoekt er naar de kern van de aarde met zijn kernkijker. Bezoekers krijgen er een foto van.

Zijn wereld reikt ver: van het diepste van de aarde tot de boeken die je hier tentoongesteld ziet en waar zelfs de plakresten van verwijderde foto’s een niet te missen onderdeel kunnen zijn.

Ik heb een week geleden een deel van de hier getoonde verzameling gezien. Onvervreembare gebruiksvoorwerpen zijn het.

4 objecten 4 aanleidingen

1

Balmoral of de walm van Pall Mall

Zo is er het geurboek.

Je hoeft het maar open te ritsen en 

je staat in de Bijenkorf van Rotterdam. 

(Eindelijk kon R. zijn boeken over Indië kwijt, driehonderd euro voor alles. 

Alleen: er kwam nog een telefoontje van de antiquaar: of de boeken ook rookvrij waren? R. opende de doos, pakte een boek en een walm van Pall Mall kwam hem tegemoet.

Hij was de sigaar.)

Pall Mall of Balmoral? vroeg de antiquaar.

Van de aankoop zie ik af.  

2

Een wat ingewikkelder aanleiding voor buitenstaanders: Ik trof in die collectie 2 dots.  

Een dot is een Direct Onedimensional Thing. Het schaart zich kunsthistorisch gezien onder het neopointilisme in de beeldhouwkunst: een kunststroming waarbij

drie dimensies zoveel mogelijk zijn teruggedrongen tot 1 punt. 

3

De zoektocht naar UTOPIA, Nheeeeeh!

Architect Wijdeveld in de documentaire Plan The Impossible van Hank Onrust (1975)

Wijdeveld heeft het over zijn verblijf als jongeling in Londen en dat hij toen langs de Thames op zoek is gegaan naar Utopia. Mensen wezen hem de weg. 

Hank Onrust: En heeft u het gevonden? Dat Utopia?

Nheeeeeh! antwoordt Wijdeveld. (Trouwens ik heb Hans gevraagd of hij hier een boek over Wijdeveld had, de catalogus van een tentoonstelling in het NAI en Hans antwoordde toen Nee, een heel kort nee en dat in contrast met de Nheeeeeh van  Wijdeveld. 

4

pistool pistool!

pistool wat pistool wie pistool waar pistool

Pistool pistool!

verdwenen…

En nU wil ik het woord pistool niet meer horen 

want ik ben pacifist,

pas paljas pistool! nee dat woord dus niet

of ik schiet. 

Tot slot: 

Mag dat allemaal? Dat schrijven en tekenen in boeken? 

Ongetwijfeld zijn er onder jullie die dat denken in een eerste reactie. 

Mijn antwoord is: Ja, in je middelbare schoolagenda: 

die mocht je volledig vermaken tot een persoonlijk boekwerk. 

Maar verder: Nheeeeeh! schrijven en tekenen in boeken mag niemand. 

behalve j.’P alias!

Openinstoespraak van Sandra Smets, Tentoonstelling: Otto Snoek, Detour, a Rotterdam photo journal 3-12 to 13-1-2024

04.11.1966

Otto

Hoe mooi deze tentoonstelling ook eruit ziet, ik ken Otto van een minder mooie fotografie – sorry dat ik meteen met zo’n lompe formulering begin. Dat was misschien 20 jaar geleden, toen ik in tentoonstellingen zijn foto’s zag van het Rotterdamse stadsleven van nu. Het was een drukte van stedelingen in de koopgoot of op een terras, op zoek naar vertier, en consumptie, want dat helpt altijd. Mensen met leggings en trainingspakken aan in foto’s die een wonderlijke combinatie waren van levenslust en leegte. Het was vrijheid die Otto in beeld bracht, een fundamenteel streven van de mens maar dan vrijheid met een zekere leegte: een gevoel van anything goes, een vrijheid zonder ideologie, in een tijd waarin vrijheid een individualisme betekende en niet gemeenschapszin.

Of zoals de titel van een boek van hem luidde: Why Not. Een titel waar een bepaald schouderophalend gevoel in zit, een onverschilligheid. De mensen op zijn foto’s zijn dan ook vooral bezig met zichzelf, en hij brengt ze in beeld op een manier die dat solistische onderstreept: composities opgebouwd uit diagonalen waardoor deze figuren aan weerszijden het beeld uit lijken te bewegen, ook weer ieder een eigen kant uit, als in een wereld zonder samenhang. Dat is alles subtiel gedaan waardoor die foto’s helemaal niet zo rechttoe rechtaan zijn als je wellicht denkt wanneer je ze voor het eerst ziet. En nu heeft hij me ook nog laatst verklapt dat hij elke foto die hij maakt, nadien nog twee uur lang minutieus bijwerkt tot hij daarin komt tot de ultieme balans.

De expositie nu vandaag heeft niet dat koopjescornergevoel, want dit is een wereld waar we meer naar kunnen verlangen. Een wereld wel met schoonheid, hoewel schoonheid natuurlijk een relatief begrip is – precies wat Otto altijd laat zien. De stadsfoto’s die ik zojuist noemde, bestaan uit een stadsleven volop menselijk streven naar schoonheid maar dan op een gefragmenteerde en individuele basis.

De foto’s nu vandaag tonen een andere kant van het werk van Otto, met een verlangen naar een geïdealiseerde versie van de stad waar we in leven: de stad zoals die bedoeld is op de ontwerptafel. Daarmee bedoel ik de stadspanorama’s die Otto maakte van Rotterdam zónder mensen. Een kale stad, kleurrijk, op een manier dat je ziet hoe hij bedacht is op de tekentafel. Een ideale wereld en toch ook weer niet. Met al die gebouwen en kale straten is het ook een strenge wereld, een waarvan je je afvraagt of die wel echt zo gladjes werkt als bedacht is. En dat geldt zelfs voor de aangelegde natuur, waar een kaarsrechte vijver wordt omringd door pittoresk groen.

Foto’s zonder mensen is niet wat je van Otto verwacht. Deze expositie gaat minder over mensen en meer over plekken. Deels brengt dat ons terug naar de pandemie. Toen werden de straten en plekken om ons heen ook werkelijk leger. De kale stad met zijn mooie architectuur en andere bouwplannen was voor even een vijandig terrein. Dit is het nieuwe werk dat Otto hier toont: stadsgezichten waarin de maakbaarheid botst met de realiteit, met stukjes die onaf zijn of met ongerijmdheden, die ontsnappen aan masterplannen en het streven naar functionaliteit. Zoals een reusachtig ei op een spoor, een beeld waar geen touw aan vast te knopen is. Zoals zo’n ei laat zien, is de ons omringende wereld het domein van de mens. Ook zonder dat hij mensen in beeld brengt, voel je dat stadslandschappen de plekken van stedelingen zijn, met ook hún ongerijmdheden. Ook als ze fysiek uit het beeld gefilterd zijn, zijn ze in geest nog steeds aanwezig.

In de praktijk is Otto een soort diesel: hij trekt wijken in en reist landen door en maakt daar foto’s zonder nu altijd precies te weten welk beeld wat betekent, om dan achteraf de betekenis erin te kunnen lezen. Dat kan soms jaren duren. Dan weet hij welk beeld een tijdgeest heeft gevangen, in welke foto hij het verleden heeft weten te betrappen. Zodoende werkt hij uit nieuwsgierigheid, een soort innerlijke noodzaak, en een bepaalde serendipiteit: pas als je eropuit trekt weet je wat je tegenkomt.

Toen ik erover nadacht wat het werk van Otto bindt, was het idee van verlangen wat me bijbleef als rode draad. Dat zie je in zijn foto’s van mensenmassa’s, waarin mensen proberen om te genieten en hun beste levens te leiden. Dat doen ze ook door hun ideeën te projecteren op de buitenwereld, of dat nu de stad is of een land ver weg, waar het gras groener is. Zoals mensen hun zoektochten naar een beter leven uitbreiden door te reizen, doet Otto dat ook, in hun voetsporen. Zo ook andere projecten, die hier niet nu nog niet te zien zijn. Zoals zijn project rond de North Atlantic Dream: hij ging naar de VS om die plekken in beeld te brengen waar Europeanen en anderen al sinds generaties van gedroomd hebben.

Otto zocht die gedroomde plekken op en legde ze vast met een bepaalde vaalheid. Verschoten beelden. Een aantal beelden zijn geschoten in Europa, andere in de VS, het land van melk en honing. Vaak worden het plekken die wel esthetisch zijn voor het oog, om naar te kijken, maar niet om te verblijven, zo krijg je het idee bij Otto’s werk. En zo is het natuurlijk vaak, ook hier in Rotterdam. Ook deze stad kent plekken die in toenemende mate worden ingericht op visuele voorwaarden. Met kleurige muurschilderingen en pocket parks, maar waar geen bankjes zijn voor daklozen om te slapen. Een wereld om naar te kijken, een beeld dat je een leven belooft dat niet bestaat. Bij Otto’s foto’s is het altijd zo’n soort spanningsveld, telkens weer op andere manieren. Deze vale plekken waar mensen hopen of hebben gehoopt om iets van een paradijs te vinden, is volgens mij toch ook weer vergelijkbaar is met die lege vrijheid op zijn eerdere stadsfoto’s die ik twintig jaar geleden van hem leerde kennen, waarin geen god meer bestaat en we het dus maar met hedonisme moeten doen, alles op eigen kompas, zoekend naar zingeving zonder die te vinden.

In al die series zit verholen of zichtbaar een verlangen, denk ik. Dat is wat ook zijn oudere foto’s waar de kleur uit wegtrekt bindt met die andere stadsfoto’s, de meer lawaaierige fullcolour panorama’s waar hij zijn lens zo direct op de menigte drukt. Ook daarin zit een verlangen, maar dan naar een leven van vrijheid en weelde, een bestendige toekomst, en de moeilijkheid om dat te bereiken. Toen ik Otto sprak laatst, begon hij over een mist en zo is het: je weet niet waar je heen gaat, maar om je heen kijken of achterom kijken kan wel, naar dat wat is en dat wat was, en dat wat we verloren zijn. Zoals in deze expositie.

Sandra Smets

Speech Kees Weeda voor Maria Ikonomopoulou 8-3-’20

07.11.1960

Lieve Maria, geachte dames en heren,

Op mijn werktafel thuis staat een standaard, zo’n mooie perspex standaard die je in de betere boekwinkels ziet. In die standaard staat een boek, een onleesbaar boek, waar ik toch veel in lees. De pagina’s staan vol lijntjes, streepjes, puntjes, maar die vormen geen letters. En toch lees ik erin.

Zelfs voor een groep mensen voor wie metaforen en paradoxen dagelijkse kost zijn, moet ik dat waarschijnlijk wel even uitleggen.

Het boekje dat eigenlijk meer de omvang heeft van een brochure is gemaakt door twee kunstenaars: Maria Ikonomopoulou en Anastasia Mina. Ieder maakte 6 tekeningen en 1 maakten ze samen. Het heeft twee voorkanten en geen achterkant: als je het werk van de ene kunstenaar hebt bekeken, moet je het boekje omdraaien om de bijdrage van de ander te zien. Of doorbladeren maar dan zie je een helft van het boekje op zijn kop.

Wat tegelijkertijd op subtiele wijze de kwestie van onder- en bovenkant in abstracte kunst aan de orde stelt….

Het is geproduceerd op Moleskin Folia zuurvrij 100 grams papier. De omslag is van het beste Engelse aquarelkarton van Saunders Waterford, 4-zijdig verlijmd, 300 grams, zuurvrij en verouderingsbestendig.

(Dit om u een beeld te geven)

Het heet ‘syn[chrono]sides – met twee haken rondom het woorddeel chrono. Ik kocht het in 2014.

Hoe kun je lezen in een boek waarin geen letters staan.

Je kunt er alleen in kijken, zou je zeggen en in de eerste jaren dat ik het werk had, deed ik dat ook.

Maar op een gegeven moment merkte ik dat ik anders naar de pagina’s ging kijken: ik begon ze te lezen. (Lezen en voelen want er zitten pagina’s tussen die als een brailleschrift alleen kleine puntjes bevatten.)

En toen ‘las’ ik het verhaal van Maria.

Toegegeven, ik heb wel enige voorkennis, maar dan nog, is het fascinerend om te bedenken hoe dit werk een soort pars pro toto is voor het oeuvre van Maria.

De precisie, de liefde, de verbeeldingskracht en de schoonheid van al haar werk weerspiegelen zich in de bladzijden van dit boekje. En als u straks het oeuvreboek hebt gekocht, zult u zien – voor zover de kenners dat nog niet wisten – dat al haar werk door die eigenschappen wordt gekenmerkt.

En dan dient zich – althans bij mij – een fascinerende tegenstelling aan, die dat misschien helemaal niet is, maar for he sake of the argument, neem ik even aan van wel.

Wie Maria en haar biografie kent, zou zich kunnen verbazen over de fijnmazigheid, misschien zelfs de onnadrukkelijkheid van haar werk. Een gesprek met haar gaat al snel over politiek, over de rol van kunst en kunstenaar in de samenleving over het bedroevend weinig geld dat we in dit land over hebben voor de verbeelding en over het onrecht van de wereld in het algemeen.
In zo’n gesprek zie je Maria’s onverschrokken moed en doorzettingsvermogen. Eigenschappen die je hard nodig hebt, ook in een land waar alles zo goed geregeld lijkt. Hebben jonge kunstenaars het na hun opleiding in het algemeen al niet eenvoudig om een beroepspraktijk op te bouwen, het wordt nog wel een stukje ingewikkelder als je de taal nog aan het leren bent en geen verblijfsvergunning hebt. Dan kan je alleen overleven door allerlei baantjes aan te pakken, je te laten bijscholen, zodat je les kunt gaan geven in het onderwijs – bij voorkeur aan kinderen in achterstandswijken.

En intussen aan het werk blijven, lang en intens aan het werk blijven.

In zijn prachtige biografische schets over Sjostakowitsj schrijft Julian Barnes:

“”De kunst is de fluistering van de geschiedenis die boven het tumult van de tijd uit is te horen.””

Preciezer zou ik het werk van Maria niet kunnen typeren. Het is niet het grote gebaar van installaties, vuistdikke verf op vele vierkante meters linnen of maatschappijkritiek in your face.

Zelfs in haar monumentale werk in opdracht, zoals bijvoorbeeld het talismankabinet voor het Ronald Macdonald huis uit 1998, vermijdt ze het grote gebaar en zoekt ze de compassie met de wereld in de precisie van haar beeldende kracht .

Of de interventie bij de kunstbeurs van Athene in 2010: een serie groenten en kruiden in potten op de trappen van het gebouw, met daarboven als een guirlande uitgeknipt de titel van het werk: Growing Hope - in mijn ogen de belangrijkste drijfveer voor haar kunstenaarschap.

Gefluisterde hoop die door het patina van de tijd alleen maar sterker en mooier zal worden.

Hé, daar ben je, zei Maria toen ze langskwam om het werk op te halen dat ze wilde fotograferen en het schilderijtje zag dat we in 1994 of daaromtrent van haar kochten. Ze tikte het voorzichtig even op de bovenkant aan en op dat moment begreep ik waarom een kunstenaar de behoefte voelt om haar werk te documenteren, zoals we kunnen zien in de Anthology.

Het is natuurlijk primair om een overzicht te produceren maar het is zeker ook om de behoefte het werk nog een keer vast te houden, te zien of er goed voor wordt gezorgd.

Zelf heeft ze er een dubbel gevoel over: enerzijds biedt zo’n monografie een goed beeld van haar kunstenaarschap maar anderzijds is reflecteren op haar eigen werk niet Maria’s grootste liefhebberij. Ik word gelukkiger, zegt ze, van dingen maken, niet per se van erop te reflecteren.

Het schilderijtje waarop Maria tikte is een klein kinderportret in verf op hout, een intrigerend, enigszins asymmetrisch gezicht van een kind dat de toeschouwer aankijkt. Sober van kleurstelling en met een grote impliciete zeggingskracht. Het portretje is geschilderd op triplex, links en rechts zijn twee paneeltjes gemonteerd, zwart geschilderd waarmee het beschilderde paneeltje in het midden kan worden afgesloten. Als je dat doet (“als je er even genoeg van hebt om naar te kijken”, zei Maria toen) hangt er een zwart vierkant aan de muur.

Het werk dateert uit 1994 en in de loop van de jaren begon ik na te denken over de vraag waarom ik het zo’n intrigerend vond.

In de late 14e eeuw ontstond de snelle opkomst van de triptiek, voornamelijk als een altaarstuk, waarvan niet alleen de voorkant(en) maar soms ook de achterzijden waren beschilderd. Een efficiënte manier om een verhaal te vertellen; als het stuk los in de ruimte staat heeft de schilder zes beelden om zijn verhaal te vertellen, zes beelden (en twee als de panelen gesloten worden getoond) die een samenhangend verhaal laten zien.

In Maria’s ‘triptiek’ van het kindergezicht is slechts 1 paneel geschilderd, de vijf andere zijn zwart. Open meet het werk 69x34 cm. Als de panelen gesloten zijn, hangt er een vierkant, zwart stuk hout van 34x34x5cm aan de muur. En dan ligt ineens een andere associatie voor de hand, namelijk met het suprematistische zwarte schilderij van Kazimir Malevitsj.

De 14e eeuw en Malevitsj, die samenkomen in een klein portret.  Langzaam dringt het mysterieuze van het schilderij zich op. Wat in eerste instantie een handreiking aan de beschouwer lijkt te zijn, is een opening naar de mystiek van de schilderkunst: hier hangt een kunstwerk dat de traditie van de 14e eeuwse picturale verteltraditie combineert met een van de belangrijkste vernieuwingen in de schilderkunst: het absolute nul, dat Malevitsj wilde bereiken. En de associatie gaat nog een laag dieper. Het "Zwart Vierkant" was bij de tentoonstelling in 1915 in St. Petersburg helemaal bovenaan in ‘de gouden hoek’ van de kamer geplaatst, waar Russen hun christelijke iconen ophangen.

Open de luiken van het schilderij van Maria Ikonomopoulou, kijk naar het kinderportret met de witte kanten kraag en je begrijpt wat ze heeft gemaakt: een prachtig icoon.

Ik heb overigens de luiken niet vaak dichtgedaan.

En dat, dames en heren, is nog maar een enkel voorbeeld van het moois dat in de prachtige Anthology te zien is.

Bij mij thuis komt hij te liggen naast de perpex standaard.

Dank voor uw aandacht.

Kees Weeda

8 maart 2020


Preview exhibition: Lydia Schouten, ‘Yes, there will be singing in Dark Times’.

06.12.1950

Alle werken € 225,- per stuk. 20% korting bij aankoop van drie of meer / All works € 225 each. 20% discount when you buy three or more

Bestel hier / Order here

YES, there will be singing in Dark Times

Toen ik werd uitgenodigd door Hans Walgenbach om bij hem te exposeren, werd ik meteen enthousiast. Dit kwam door de combinatie Kunst en Boeken in zijn galerie. Wie goed kijkt naar mijn werk door de jaren heen, kan zien dat mijn inspiratie vaak ligt bij het combineren van beeld en tekst. Deze zomer heb ik doorgebracht in een coronarood aangegeven gebied in Frankrijk. Het isolement daar gaf inspiratie met als resultaat een groep van 40 nieuwe tekeningen en collages. Ieder werk staat op zichzelf maar voelt zich als een vis in het water tussen alle andere beeldcombinaties. Ik ben beïnvloed door de literatuur van J.G. Ballard — waarin leefomstandigheden voorkomen die meer op science fiction lijken —  en W.G. Sebald, waarin heden, verleden en fictie continu heen en weer switchen. “A pond becomes a lake, a breeze becomes a storm, a handful of dust is a desert, a grain of sulphur in the blood is a volcanic inferno. What manner of theatre is it, in which we are once playwright, actor, stage manager, scene painter and audience?” W.G. Sebald, fragment uit The Rings of Saturn Ik heb de Willem de Kooning Academie gedaan van 1971-1976 op de afdeling Autonome Kunst/Beeldhouwen. Het was een tijd waarin de visie overheerste dat alles al gedaan was in de schilderkunst, dus daar waagde ik me niet aan. Ik onderzocht de mogelijkheden van performance en beeldhouwkunst. Na mijn afstuderen deed ik vooral performances, waarin het tekenen soms al een rol speelde door met mijn lichaam ruimtelijke tekeningen te maken met meel en pigment of aarde. In de jaren tachtig maakte ik veel scripttekeningen, die als schetsen dienden voor een video. Toen ik in 1992 autonome tekeningen begon te maken, was er een duidelijke relatie met de scripttekeningen. Ze bestaan uit losse elementen, waarin tekst en beeld worden gecombineerd, vaak bijeen gehouden door één centraal beeld. Het zijn verhalen, maar missen een logische of chronologische verbinding. Het blijven losse fragmenten, waar de kijker zijn of haar eigen verhaal kan maken.

YES, there will be singing in Dark Times

When I was invited by Hans Walgenbach to exhibit, I immediately became enthusiastic. This was due to the combination of Art and Books in his gallery. If you look closely at my work over the years, you can see that my inspiration often lies in combining images and text.
This summer I spent in a corona red marked area in France. The isolation there provided inspiration, resulting in a group of 40 new drawings and collages. Each work stands on its own, but feels like a fish in water among all the other image combinations.

I have been influenced by the literature of J.G. Ballard – which has living conditions that are more like science fiction – and W.G. Sebald, in which present, past and fiction continuously switch back and forth.
A pond becomes a lake, a breeze becomes a storm, a handful of dust is a desert, a grain of sulfur in the blood is a volcanic inferno.
What manner of theater is it, in which we are once playwright, actor, stage manager, scene painter and audience? “
W.G. Sebald, excerpt from The Rings of Saturn

I attended the Willem de Kooning Academy from 1971-1976 in the Autonomous Art / Sculpture department. It was a time when the vision prevailed that everything had already been done in painting, so I did not venture into that.
I explored the possibilities of performance and sculpture.
After graduating I mainly did performances, in which drawing sometimes played a role by making spatial drawings with my body using flour and pigment or soil. In the eighties I made a lot of script drawings that served as sketches for a video.
When I started making autonomous drawings in 1992, there was a clear relationship with the script drawings. They consist of separate elements in which text and image are combined, often held together by one central image. They are stories, but lack a logical or chronological connection. They remain separate fragments, where the viewer can make his or her own story.

Lydia Schouten
2020

BERT FRINGS – schilderijen

30.09.1950

Bert Frings – Schilderijen

Toen de wereld op slot ging, vonden we verlichting buiten in de natuur. Paadjes, bossen, oevers langs de Rotte, de wandelpaden in de woonwijken of het centrum van de stad, alles bekeken we met andere ogen. De vogels in de tuin, die zich nergens iets van aan leken te trekken, vlogen in en uit, op zoek naar een vetbolletje of een kruimeltje brood, en in het voorjaar kwamen de ganzen gewoon broeden, alsof er niets was gebeurd. Het buiten zijn deed ons goed, als afwisseling van het thuis leven en werken. Voor kunstenaar Bert Frings was het vele thuis zijn en de schetsen die hij daar maakte, de aanleiding voor een nieuwe reeks schilderijen in tempera. Hij keerde met zijn werk juist naar binnen. Naar de verstilling van het stilleven, geïnspireerd op vanitas schilderijen uit de zeventiende eeuw zoals van Ambrosius Bosschaert II, waarin de kijker wordt geconfronteerd met de eindigheid van het bestaan, maar ook de schoonheid daarvan. Hoe wrang is het, dat aan de vooravond van de opening van deze tentoonstelling in Walgenbach Art & Books, het kabinet opnieuw maatregelen aankondigde met als doel om contactmomenten te verminderen en het virus te remmen. Hierdoor kon de feestelijke opening van deze tentoonstelling en de presentatie van het eerste boek, niet doorgaan. Gelukkig blijven culturele instellingen en winkels wel open, en kunt u toch genieten van dit doorvoelde, nostalgische werk, waarin Frings teruggrijpt op gevonden voorwerpen en voorwerpen uit zijn jeugd. Een vervlogen tijd, van een glaasje Sinas op zaterdagavond, het spelen van de videogame Sonic the Hedgehog of kijken naar de eerste Jurassic Park film. Het antropomorfe egeltje Sonic redt in de videogame steeds opnieuw de wereld van een doorgedraaide professor en ook in Jurassic Park wordt de mensheid door eigen toedoen bedreigd. Deze thematiek van vreugde en dreiging, van leven en verval, tekent het recente werk van Frings. Het meest aandoenlijk zijn de schilderijen met de kauw Mickel die door een pigmentaandoening witte vlekken heeft, met op de voorgrond een dode vlieg. Hier ontmoet het leven het levenloze, in een stille aandacht voor het nu.

Sandra Kisters, Hoofd collectie en onderzoek, Museum Boijmans Van Beuningen

 

Bert Frings – Paintings

When the world shut down, we found relief outside in nature. Paths, forests, banks along the Rotte, the walking paths in the residential areas or the center of the city, we looked at everything with different eyes. The birds in the garden, who didn't seem to care, flew in and out, looking for a ball of fat or a crumb of bread, and in the spring the geese just came to nest, as if nothing had happened. Being outside did us good, as a change from living and working at home. For artist Bert Frings, being at home a lot and the sketches he made there gave rise to a new series of paintings in tempera. He just turned inward with his work. To the still life of the still life, inspired by vanitas paintings from the seventeenth century such as Ambrosius Bosschaert II, in which the viewer is confronted with the finiteness of existence, but also its beauty. How sour it is that on the eve of the opening of this exhibition in Walgenbach Art & Books, the cabinet again announced measures with the aim of reducing contact moments and inhibiting the virus. As a result, the festive opening of this exhibition and the presentation of the first book could not take place. Fortunately, cultural institutions and shops will remain open, and you can still enjoy this heartfelt, nostalgic work, in which Frings harks back to found objects and objects from his youth. A time gone by, from a glass of orange on Saturday night, playing the video game Sonic the Hedgehog or watching the first Jurassic Park movie. In the video game, the anthropomorphic hedgehog Sonic saves the world from a mad professor time and again, and in Jurassic Park, too, humanity is threatened by its own actions. This theme of joy and threat, of life and decay, characterizes Frings' recent work. The most touching are the paintings with the jackdaw Mickel, who has white spots due to a pigment disorder, with a dead fly in the foreground. Here life meets the lifeless, in a silent attention to the now

Sandra Kisters, Head of collection and research, Museum Boijmans Van Beuningen

 

 

 

Jouke Kleerebezem

21.09.1950

My drawing and painting occurs casually. The work does not come about in a fixed place or moment or following an established method. It develops in freedom and can be read from the process and from results that do not lead to a conclusion. It shares its ritual function with other daily activities — without hierarchy or authority. I work as I live, aware of the moment, attentively… here and now… it works or it doesn’t work and does not serve any external interest.

The act of drawing expresses an intimate and concentrated presence and creates momentum in an infinite and never static here and now. Whoever draws, paints, writes, or can lose himself for that matter in any dedicated act, is — while nothing remains except a few stubborn souvenirs that roam endlessly through the institutions.

Mijn tekeningen en schilderijen komen terloops tot stand. Het werk ontstaat niet op een vaste plek of moment, of volgens een vaste methode. Het ontwikkelt zich in vrijheid en kan worden afgelezen aan het proces en aan resultaten die niet tot een conclusie leiden. Het deelt zijn rituele functie met andere dagelijkse handelingen — zonder hiërarchie of autoriteit. Ik werk zoals ik leef, met aandacht voor het moment, oplettend… hier en nu… het werkt of het werkt niet en dient geen enkel extern belang.
De handeling van het tekenen brengt een intieme en geconcentreerde aanwezigheid tot uitdrukking, schept momentum in een onbegrensd en nooit statisch hier en nu. Wie tekent, schildert, schrijft, of zich in om het even welke toegewijde handeling kan verliezen, is — waar niets blijft op een paar hardnekkige souvenirs na, die eindeloos door de instituties zwerven.

Jouke Kleerebezem