Openinstoespraak van Sandra Smets, Tentoonstelling: Otto Snoek, Detour, a Rotterdam photo journal 3-12 to 13-1-2024

04.11.2023

Otto

Hoe mooi deze tentoonstelling ook eruit ziet, ik ken Otto van een minder mooie fotografie – sorry dat ik meteen met zo’n lompe formulering begin. Dat was misschien 20 jaar geleden, toen ik in tentoonstellingen zijn foto’s zag van het Rotterdamse stadsleven van nu. Het was een drukte van stedelingen in de koopgoot of op een terras, op zoek naar vertier, en consumptie, want dat helpt altijd. Mensen met leggings en trainingspakken aan in foto’s die een wonderlijke combinatie waren van levenslust en leegte. Het was vrijheid die Otto in beeld bracht, een fundamenteel streven van de mens maar dan vrijheid met een zekere leegte: een gevoel van anything goes, een vrijheid zonder ideologie, in een tijd waarin vrijheid een individualisme betekende en niet gemeenschapszin.

Of zoals de titel van een boek van hem luidde: Why Not. Een titel waar een bepaald schouderophalend gevoel in zit, een onverschilligheid. De mensen op zijn foto’s zijn dan ook vooral bezig met zichzelf, en hij brengt ze in beeld op een manier die dat solistische onderstreept: composities opgebouwd uit diagonalen waardoor deze figuren aan weerszijden het beeld uit lijken te bewegen, ook weer ieder een eigen kant uit, als in een wereld zonder samenhang. Dat is alles subtiel gedaan waardoor die foto’s helemaal niet zo rechttoe rechtaan zijn als je wellicht denkt wanneer je ze voor het eerst ziet. En nu heeft hij me ook nog laatst verklapt dat hij elke foto die hij maakt, nadien nog twee uur lang minutieus bijwerkt tot hij daarin komt tot de ultieme balans.

De expositie nu vandaag heeft niet dat koopjescornergevoel, want dit is een wereld waar we meer naar kunnen verlangen. Een wereld wel met schoonheid, hoewel schoonheid natuurlijk een relatief begrip is – precies wat Otto altijd laat zien. De stadsfoto’s die ik zojuist noemde, bestaan uit een stadsleven volop menselijk streven naar schoonheid maar dan op een gefragmenteerde en individuele basis.

De foto’s nu vandaag tonen een andere kant van het werk van Otto, met een verlangen naar een geïdealiseerde versie van de stad waar we in leven: de stad zoals die bedoeld is op de ontwerptafel. Daarmee bedoel ik de stadspanorama’s die Otto maakte van Rotterdam zónder mensen. Een kale stad, kleurrijk, op een manier dat je ziet hoe hij bedacht is op de tekentafel. Een ideale wereld en toch ook weer niet. Met al die gebouwen en kale straten is het ook een strenge wereld, een waarvan je je afvraagt of die wel echt zo gladjes werkt als bedacht is. En dat geldt zelfs voor de aangelegde natuur, waar een kaarsrechte vijver wordt omringd door pittoresk groen.

Foto’s zonder mensen is niet wat je van Otto verwacht. Deze expositie gaat minder over mensen en meer over plekken. Deels brengt dat ons terug naar de pandemie. Toen werden de straten en plekken om ons heen ook werkelijk leger. De kale stad met zijn mooie architectuur en andere bouwplannen was voor even een vijandig terrein. Dit is het nieuwe werk dat Otto hier toont: stadsgezichten waarin de maakbaarheid botst met de realiteit, met stukjes die onaf zijn of met ongerijmdheden, die ontsnappen aan masterplannen en het streven naar functionaliteit. Zoals een reusachtig ei op een spoor, een beeld waar geen touw aan vast te knopen is. Zoals zo’n ei laat zien, is de ons omringende wereld het domein van de mens. Ook zonder dat hij mensen in beeld brengt, voel je dat stadslandschappen de plekken van stedelingen zijn, met ook hún ongerijmdheden. Ook als ze fysiek uit het beeld gefilterd zijn, zijn ze in geest nog steeds aanwezig.

In de praktijk is Otto een soort diesel: hij trekt wijken in en reist landen door en maakt daar foto’s zonder nu altijd precies te weten welk beeld wat betekent, om dan achteraf de betekenis erin te kunnen lezen. Dat kan soms jaren duren. Dan weet hij welk beeld een tijdgeest heeft gevangen, in welke foto hij het verleden heeft weten te betrappen. Zodoende werkt hij uit nieuwsgierigheid, een soort innerlijke noodzaak, en een bepaalde serendipiteit: pas als je eropuit trekt weet je wat je tegenkomt.

Toen ik erover nadacht wat het werk van Otto bindt, was het idee van verlangen wat me bijbleef als rode draad. Dat zie je in zijn foto’s van mensenmassa’s, waarin mensen proberen om te genieten en hun beste levens te leiden. Dat doen ze ook door hun ideeën te projecteren op de buitenwereld, of dat nu de stad is of een land ver weg, waar het gras groener is. Zoals mensen hun zoektochten naar een beter leven uitbreiden door te reizen, doet Otto dat ook, in hun voetsporen. Zo ook andere projecten, die hier niet nu nog niet te zien zijn. Zoals zijn project rond de North Atlantic Dream: hij ging naar de VS om die plekken in beeld te brengen waar Europeanen en anderen al sinds generaties van gedroomd hebben.

Otto zocht die gedroomde plekken op en legde ze vast met een bepaalde vaalheid. Verschoten beelden. Een aantal beelden zijn geschoten in Europa, andere in de VS, het land van melk en honing. Vaak worden het plekken die wel esthetisch zijn voor het oog, om naar te kijken, maar niet om te verblijven, zo krijg je het idee bij Otto’s werk. En zo is het natuurlijk vaak, ook hier in Rotterdam. Ook deze stad kent plekken die in toenemende mate worden ingericht op visuele voorwaarden. Met kleurige muurschilderingen en pocket parks, maar waar geen bankjes zijn voor daklozen om te slapen. Een wereld om naar te kijken, een beeld dat je een leven belooft dat niet bestaat. Bij Otto’s foto’s is het altijd zo’n soort spanningsveld, telkens weer op andere manieren. Deze vale plekken waar mensen hopen of hebben gehoopt om iets van een paradijs te vinden, is volgens mij toch ook weer vergelijkbaar is met die lege vrijheid op zijn eerdere stadsfoto’s die ik twintig jaar geleden van hem leerde kennen, waarin geen god meer bestaat en we het dus maar met hedonisme moeten doen, alles op eigen kompas, zoekend naar zingeving zonder die te vinden.

In al die series zit verholen of zichtbaar een verlangen, denk ik. Dat is wat ook zijn oudere foto’s waar de kleur uit wegtrekt bindt met die andere stadsfoto’s, de meer lawaaierige fullcolour panorama’s waar hij zijn lens zo direct op de menigte drukt. Ook daarin zit een verlangen, maar dan naar een leven van vrijheid en weelde, een bestendige toekomst, en de moeilijkheid om dat te bereiken. Toen ik Otto sprak laatst, begon hij over een mist en zo is het: je weet niet waar je heen gaat, maar om je heen kijken of achterom kijken kan wel, naar dat wat is en dat wat was, en dat wat we verloren zijn. Zoals in deze expositie.

Sandra Smets

Hulya Yilmaz, opening speeche Olga Russel.

26.09.2023

Rotterdam, 2023/22/10

Lieve Hulya,

Ik ben geen kunstkenner maar ik ken wel kunstenaars waaronder jou. We ontmoetten elkaar voor het eerst in 2004 in Xiamen, China waar jij een residentie deed en een prachtig grote sculptuur maakte in het kader van je project ‘Movement’, jouw onderzoek naar de beweging van water.
Hulya, kunstenaar, beeldhouwer, natuur als grote inspiratiebron, dieren- en plantenvormen, beweging van water, haar, huid, heldere vormen. Je houdt van groots, monumentaal maar ook zacht, rond, erotisch. Van inheemse culturen voor wie natuur de bron, vanzelfsprekend, is van spiritualiteit. Je hebt helden: Maria Callas, Carel Visser, Pino Pascali, Redmond O’Hanlon om er een paar te noemen. Je achtergrond Syrisch, een oma medicijn vrouw, via Adana (Turkije) naar Enschede gekomen. Je opleiding LTS, de Aki en Ateliers 63. Je bent lekker duidelijk, uitgesproken en gevoelig.
In China, Brazilië, Suriname en andere plekken, onderzocht je de beweging van water, wat zijn weerslag vond in sculptuur, foto, video, papier. In 2021 kwam corona en je kon niet meer op reis, het onderzoek ging door in je atelier. Enorme vellen papier op de grond, veel blauw, heel veel blauw, blauw in schakeringen. Het onderzoek bevindt zich niet alleen meer boven, maar inmiddels ook onder water. De beweging vindt zijn eigen weg. Wat ontstaat ligt niet altijd meer in jouw hand. Voorstellingen verschijnen buiten jouw om. Soms tot frustratie.
Die frustratie bracht jou dichter bij Jackson Pollock, ineens voelde jij hoe de fascinatie voor natuur en natuurkracht buiten controle kan zijn, zoals hij dat ook ervaren moet hebben. Hoe sterk ‘physical painting’ zijn eigen leven kan gaan leiden, ondanks jezelf. En toen moest er een hommage komen aan Jackson. Want jij betoont graag eer aan je inspiratiebronnen, aan met wie je je verwant voelt.
Als Jackson het over zijn werk en werken (werkwoord) heeft dan zegt hij “expressing feelings rather then illustrating them”. Jij zegt: “de tekening heeft een eigen leven en bepaalt zichzelf”. De Jackson tekeningen hebben een sterke relatie met je water tekeningen. Het werken op de grond, staand, zittend boven op het papier, zodat je bijna kunt verdwijnen in dat wat je maakt. Het blauw een verbinding, ook uit praktische overweging, de kleur had je nog staan. Intuïtief werken met vingers in de verf (geen kwast). De vellen liggen naast elkaar, het is filmisch. Werken in 2, 3, 4 lagen omdat de verf tussendoor moet drogen. In de flow blijven. Als je in de flow zit, ben je niet bezig met resultaat maar ontstaat het resultaat uit de beweging van de flow, altijd op muziek. En ook ‘een weten’ wanneer te stoppen, soms ga je te ver, en ook dat is een intuïtieve beslissing, een weten zonder redeneren. En dan werk je een tijd door, een week, een maand, een half jaar, en geleidelijk aan dringt zich een steeds sterker wordende besef op dat naast deze beroemde man een grote vrouw stond: Lee Krasner. Want Jackson was met Lee.

Lee en Jackson waren een kunstenaarsechtpaar dat elkaar wederzijds sterk beïnvloedde. Zij was 34 toen ze hem ontmoette en vier jaar ouder. Sinds haar 14e wist ze al dat ze kunstenaar wilde zijn. Ze groeide op in Brooklyn met Joods Russische ouders. Hij had een Iers Schotse achtergrond en was groot geworden in het dorp Cody vlak bij Yellowstone National Park.
Ze zijn 15 jaar samen en dan verongelukt Jackson in 1956 met zijn auto, dronken achter het stuur. Hoe tragisch ook, Lee is praktisch. De schuur waar hij werkte staat nu leeg en ze verhuist haar eigen spullen van haar kamertje in het woonhuis naar het grote atelier in de tuin. Ze neemt bezit van die ruimte en het betekent een nieuwe fase in haar werk. Ze gaat groot. Vijftien meter breed. Na Virginia Woolf’s ‘a room of one’s own’ laat het zien dat het niet alleen een eigen kamer is die telt maar dat ook de grootte van die kamer ertoe doet: size matters.
Lee was een echte colorist. Terwijl Lee zich steeds nadrukkelijker aan je voordoet herinner jij je werk van haar uit 1969: ‘primary series blue stone’ en ‘primary series pink stone’ dat lang geleden al diepe indruk op je maakte. Het blauw dat Lee heeft gebruikt is toevallig het blauw (water) van jouw tekeningen voor Jackson. En dus kies jij het roze als kleur voor de hommage aan Lee.
Als maker willen verdwijnen in het werk is een uitnodiging om ook als toeschouwer te verdwijnen in het werk. Deze tekeningen lijken 2D maar eigenlijk zijn ze dat niet. Je ziet en voelt dat het gemaakt is door een beeldhouwer. De afzonderlijke tekening als een 3D werk op zich, met draadwerk, een constructie, een ruimtelijk werk. En bij elkaar een complete installatie.

Olga Russel

 

Corrie Brands, Continuum – 16-4 t/m 21-5- 2023.

22.03.2023

Continuüm, gebonden, 14,5 x 20 cm, 120 pagina’s. Beperkte oplage van 52 exemplaren met originele print gesigneerd en genummerd. Prijs € 85,-

 

Continuüm

Dit boekje draag ik op aan mijn moeder, Johanna Maria Verhoeven (1921-2007), schippersdochter zonder enige opleiding. Zij liet mij een bruine groentezak na met naaipatronen, tussen 1952 en 1956 gebruikt om kleding te maken. Ieder ander zou daarvoor patroonpapier hebben gekocht, maar niet mijn moeder. Krantenpapier, oude verpakkingen, restjes karton en ander papiermateriaal kregen bij haar een tweede leven. Ik herken daar veel in. Hergebruik waarbij materialen een andere functie of betekenis krijgen, is bij het maken van mijn werk ook een belangrijk uitgangspunt.

Door de patronen één voor één ter hand te nemen ontsluit zich een deel van mijn moeders leven. Het ontroert me haar handschrift terug te vinden en te zien hoe ze de patronen heeft beschreven en gedateerd. Van een model voor een BH op een V&D pakpapiertje uit 1952 tot aan het laatste patroon; “positie pakje zomer 1956”, het jaar waarin ik ben geboren. Ik heb mijn moeder weinig kleding zien maken. In mijn kindertijd was kleding verstellen meer aan de orde. Een kraag aan een overhemd keren of een kous stoppen hield haar bezig tot diep in de nacht.

Ik pak de groentezak voorzichtig uit. De rijkdom aan vormen en de schoonheid van de verschillende soorten papier valt me op. Het is daardoor niet alleen een bijzondere ontmoeting met mijn moeder maar het inspireert me ook als kunstenaar. Ik besluit een fotografisch verslag te maken van het uitpakken. Van de stapel patronen zoals deze uit de zak komt, neem ik telkens een patroon af en leg dit omgekeerd ernaast. De slinkende en de groeiende stapel fotografeer ik. Er ontstaat een doorgaande reeks van tweemaal 52 foto’s.

Corrie Brands

 

Het boek en de installatie Continuüm werden mede mogelijk gemaakt door de Gemeente Dordrecht.

Inleiding tot de persoon en het werk van j.’P alias 

11.01.2023

Inleiding tot de persoon en het werk van j.’P alias 

Door Jozef van Rossum, bij de opening van de tentoonstelling ‘boeKKenwerK’ van Jos Deuss en j.’P alias bij walgenbach art & books 

Rotterdam,  5 februari 2023  

Ik ben zeer vereerd dat ik dit openingswoordje mag verrichten bij het werk van Jos, of wel j.’P alias, in de tentoonstelling boeKKenwerK.

Maar eerst wil ik wat rugtitels noemen die op mijn plank bleven liggen na het schrijven van dit praatje, die rugtitels behandel ik verder niet. 

een tuner vergrendelen

een getijdenboek kopen

de statenbijbel in de kachel

boeken zijn niks waard

achter gaas die boeken!

de boekenwurm en het boekenbal

Lambert Oliemeulen

Joseph Hagen

Als eerste heb ik de uitnodiging bestudeerd en daar zie ik een foto van een stapel boeken op een weegschaal en die stapel blijkt van enorm gewicht.  

Dat zou een pleidooi kunnen zijn voor het e-book.

Verschillende mensen ken ik die daar bij zweren, maar dat is informatie van een paar jaar geleden, of het nu nog zo is betwijfel ik.  

Zelf heb ik ook veel boeken, het zwaarste boek dat ik heb, heb ik hier gekocht en het weegt 3,4 kg. Speciaal voor deze mededeling heb ik zwaardere weg gedaan, ik spreek dus de waarheid. Boeken over kunst zijn meestal de zwaarste en de onhandigste. 

Onhandig van formaat vooral. 

Er is zelfs een kunstenaar die het nodig vond om loden boeken te maken: Anselm Kiefer.

De uitnodiging ook toont een foto van een stapeltje dat ik interpreteer als het topje van de toren van Babel en dat is dan het topje van de spraakverwarring. Uit spraakverwarring komen ook hele mooie dingen: zo dacht een Japanner dat het liedje er was er eens een vrouw dit koekenbakken wou het Nederlandse volkslied was. maar ik dwaal af. We zijn niet in Japan maar in Nederland en ik wil u meenemen naar Dordrecht. 

Jos en ik komen van dezelfde akademie en die is in Tilburg. 

Jos is daar wel wat eerder geweest als ik, want hij stamt nog uit de tijd dat de directeur persoonlijk alles voor het zeggen had. Jos woonde in een boerderij tijdens zijn studietijd en toen hij na zijn studie als tekendocent (1 jaar lang) voor de klas kwam te staan werd hij door de directeur van onze akademie aangesproken. Die directeur vertelde hem dat nu Jos leraar was, hij niet meer in die boerderij mocht wonen: het was geen stijl, geen goed voorbeeld, een schande etcetera. 

Jos volgde zijn advies op en is toen naar Dordrecht verhuisd. Maar hij hing ook zijn docentschap aan de wilgen om er zich als restaurator te vestigen. Of die directeur het daar mee eens zou zijn geweest valt niet meer te achterhalen.

In Dordrecht, in de Hofstraat op de begane grond heeft Jos zijn werkplaats.

Jos restaureert schilderijen in een kleine ruimte waar misschien wel

vijftig schilderijen staan, meestal negentiende eeuwse genrestukken en 

portretten, een ruimte die ook een negentiende eeuws schildersatelier lijkt. 

Eigenlijk heb ik de hele week aan die sfeervolle ruimte gedacht. Dat werd versterkt door het feit dat ik er mijn pet had laten liggen. De tijd heeft er zijn plaats, het verleden kijkt je letterlijk via portretten aan. Het huis van Jos en Geerten boven de werkplaats is overvol en spannend. 

Het huis is nadrukkelijk IKEA-VRIJ, dat bevalt me ook zeer.

Jos heeft de Paljas als tweede natuur aangenomen. 

Een comediant die graag op onderzoek uitgaat en die vooral zijn eigen wereld schept in het verborgene. In Pictura zoekt Jos dan ook vaak de kelder op of een verborgen ruimte achter de grote panelen van de tentoonstellingszaal. Hij zoekt er naar de kern van de aarde met zijn kernkijker. Bezoekers krijgen er een foto van.

Zijn wereld reikt ver: van het diepste van de aarde tot de boeken die je hier tentoongesteld ziet en waar zelfs de plakresten van verwijderde foto’s een niet te missen onderdeel kunnen zijn.

Ik heb een week geleden een deel van de hier getoonde verzameling gezien. Onvervreembare gebruiksvoorwerpen zijn het.

4 objecten 4 aanleidingen

1

Balmoral of de walm van Pall Mall

Zo is er het geurboek.

Je hoeft het maar open te ritsen en 

je staat in de Bijenkorf van Rotterdam. 

(Eindelijk kon R. zijn boeken over Indië kwijt, driehonderd euro voor alles. 

Alleen: er kwam nog een telefoontje van de antiquaar: of de boeken ook rookvrij waren? R. opende de doos, pakte een boek en een walm van Pall Mall kwam hem tegemoet.

Hij was de sigaar.)

Pall Mall of Balmoral? vroeg de antiquaar.

Van de aankoop zie ik af.  

2

Een wat ingewikkelder aanleiding voor buitenstaanders: Ik trof in die collectie 2 dots.  

Een dot is een Direct Onedimensional Thing. Het schaart zich kunsthistorisch gezien onder het neopointilisme in de beeldhouwkunst: een kunststroming waarbij

drie dimensies zoveel mogelijk zijn teruggedrongen tot 1 punt. 

3

De zoektocht naar UTOPIA, Nheeeeeh!

Architect Wijdeveld in de documentaire Plan The Impossible van Hank Onrust (1975)

Wijdeveld heeft het over zijn verblijf als jongeling in Londen en dat hij toen langs de Thames op zoek is gegaan naar Utopia. Mensen wezen hem de weg. 

Hank Onrust: En heeft u het gevonden? Dat Utopia?

Nheeeeeh! antwoordt Wijdeveld. (Trouwens ik heb Hans gevraagd of hij hier een boek over Wijdeveld had, de catalogus van een tentoonstelling in het NAI en Hans antwoordde toen Nee, een heel kort nee en dat in contrast met de Nheeeeeh van  Wijdeveld. 

4

pistool pistool!

pistool wat pistool wie pistool waar pistool

Pistool pistool!

verdwenen…

En nU wil ik het woord pistool niet meer horen 

want ik ben pacifist,

pas paljas pistool! nee dat woord dus niet

of ik schiet. 

Tot slot: 

Mag dat allemaal? Dat schrijven en tekenen in boeken? 

Ongetwijfeld zijn er onder jullie die dat denken in een eerste reactie. 

Mijn antwoord is: Ja, in je middelbare schoolagenda: 

die mocht je volledig vermaken tot een persoonlijk boekwerk. 

Maar verder: Nheeeeeh! schrijven en tekenen in boeken mag niemand. 

behalve j.’P alias!

Geert Mommersteeg / Openingstoespraak Paul Bogaers

16.10.2022

Tentoonstelling Encyclopedieën van Geert Mommersteeg bij walgenbach art & books, nov-dec 2022

Openingswoordje door Paul Bogaers, zondag 13 november 2022

Geachte aanwezigen!

Welkom op de opening van de tentoonstelling Encyclopedieën van Geert Mommersteeg.

U bent vanmiddag getuige van een tamelijk bijzondere en zeldzame gebeurtenis, namelijk de coming out van een kunstenaar in diens 67ste levensjaar.

Geert Mommersteeg is antropoloog, inmiddels in ruste, maar zijn hele leven is hij al geïnteresseerd in kunst. Hij bezocht altijd al tentoonstellingen, keek naar kunst, verzamelde kunst, verkeerde met kunstenaars, en vond zelfs een kunstenaar als partner.

Langs die weg heb ik Geert trouwens ook leren kennen, als de partner van Nan,  maar in de loop van de jaren is er ook persoonlijk een band tussen ons gegroeid. En terwijl ik hem langzaam beter leerde kennen, werd het mij ook steeds meer duidelijk dat zijn interesse in kunst niet louter werd ingegeven door het feit dat hij een relatie had met een kunstenaar. Het zat bij hem diep binnenin.

En tóch is het mij en ik denk wel bijna iedereen uit dit gezelschap ontgaan dat er ook iets anders aan de hand was. Er bleek bij Geert iets te smeulen onder het oppervlak. Iets te kruipen in zijn bloed waar het niet gaan kon. Zijn belangstelling voor kunst bleek toch niet louter passief, er moest wel degelijk iets uit.

Jaren lang blijkt hij zich periodiek en stelselmatig afgezonderd te hebben om zich in het geheim over te geven aan zijn scheppende neigingen. Afgezonderd in het bijna spreekwoordelijke zolderkamertje, waar de ongerepte en nog onontdekte kunstenaar zijn geheime oeuvre bij elkaar schildert – achteraf is het een wonder dat niemand zó lang iets vermoedde van de overrompelende waarheid. Maar ja, achteraf valt alles pas op zijn plaats, dat is altijd zo. Dat kamertje was gewoon zijn studeerkamer, en bovendien de plek waar hij ook zijn verzameling van naturalia beheert, dus wekte het bij niemand ooit argwaan dat hij zich daar van tijd tot tijd terugtrok. Zelfs Nan vermoedde niets.

Hoe nu precies de aap uit de mouw is gekomen, hoe Geert uit de kast is gekomen, dat weet ik niet precies. Ik weet alleen dat ik een half jaar geleden bij Kunstinstituut Melly Hans, onze gastheer hier, ontmoette, die mij in vertrouwen vertelde dat hij een tentoonstelling ging maken met werk van Geert Mommersteeg. Ik viel van mijn stoel. Ik wist het niet – maar zo bleek, niemand wist van het geheime beeldende werk van Geert Mommersteeg.

Wat Hans mij erover vertelde prikkelde mijn nieuwsgierigheid zó dat ik een afspraak met Geert heb proberen te maken. Dat ging op zich vlot want Geert is genereus en gastvrij. Ik was nog nooit in zijn Utrechtse woning geweest, maar – ik wilde dat werk wel eens zien..! Dat had echter nog wel wat voeten in aarde. Ik werd eerst opgehouden op de benedenverdieping, terwijl ik uit Hans’ beschrijving al wist dat ik tot de zolder moest zien door te dringen. Geduldig dronk ik een koffie, en daarna nog een. Toen gingen we naar boven, en even later kwam ik zowaar op het zolderdomein terecht. Hier zou het dus allemaal plaatsvinden, dit was Geert zijn Geheime Atelier… Maar geen spoor van werkzaamheden, zelfs een werkplek kon ik niet aantreffen. Ik wist uit de summiere beschrijving van Hans dat het zou moeten gaan om collages en ook schilderingen, en die zouden toch ergens gemaakt moeten worden, en er zou ook materialen en gereedschappen aanwezig moeten zijn. Maar ik kon in die hele ruimte niets vinden dat op scheppende arbeid zou kunnen wijzen.
Geert liet mij eerst zijn kunstcollectie zien, daarna uitgebreid zijn rariteitenkabinet met daarin een keur van zelf gevonden en verzamelde naturalia, zorgvuldig geordend gerubriceerd en gepresenteerd. Dat was al interessant genoeg, en ook zeer herkenbaar voor mij, want ik ben, net als Geert, ook zo’n verzamelaar. En toen gingen we weer naar beneden…

Ik moest nu echt gaan aandringen, anders stond ik straks, mijn nieuwsgierigheid onbevredigd, weer buiten. En inderdaad, na dat aandringen kwamen schoorvoetend de eerste werken op tafel. Eerst een serie collages waarvoor omslagen van het tijdschrift National Geographic als bronnenmateriaal hadden gediend, een serie die hier overigens niet te zien is. Vervolgens een hele uitgebreide reeks uit de ééndelige encyclopedie Alles wat U weten wil, een uitgave die ikzelf ook in mijn bezit heb. Ik was destijds gevallen op de prachtige titel die in groene letters op het natuurlinnen omslag prijkte. Alles wat U weten wil. Stel je voor: alles wat je weten wil, in één compact boekje..! Ikzelf had het binnenwerk eruit verwijderd en er een blanco dummy voor in de plaats gemonteerd, waarin ik contactdrukken van mijn foto’s kon onderbrengen. Maar Geert was juist gevallen voor de afbeeldingspagina’s in het boek, die hij als basis kon nemen voor heel precieze overschilderingen met geometrische figuren. Een soortgelijke serie, de pagina’s in dit geval afkomstig uit de Grote Winkler Prins encyclopedie, vormt in deze tentoonstelling fysiek gezien het grootste onderdeel. Vervolgens toonde hij mij enkele series met stapelingen, waarvan er hier twee te zien zijn: één met voorwerpen die gestapeld staan op de kast waarin ze zouden kunnen zijn opgeborgen, en een wondermooie serie met dieren die met zijn zessen bovenop elkaar zitten. De dieren zijn minutieus uitgeknipt en opgeplakt, maar ze zijn ook zó geordend dat ze ook in het echt op die manier de afgebeelde balanceeract zouden kunnen volbrengen.

Dit kenmerkt wel in het algemeen het werk van Geert Mommersteeg: de ongelooflijke precisie en zorgvuldigheid waarmee alle beelden zijn geconcipieerd en ook uitgevoerd. Bij Geert moet alles om te beginnen recht hangen, waterpas-recht, maar dat is ook echt maar het begin. Verbaast u zich maar eens over de perfectie waarmee de cirkels en ellipsen zijn geschilderd op de encyclopediepagina’s, en de bijna griezelig nauwkeurige wijze waarop de dieren in de andere genoemde serie zijn uitgeknipt en opgeplakt. Velen van ons zouden dat waarschijnlijk niet zo voor elkaar kunnen krijgen. Maar deze perfectie dient ook een doel, zij vormt een noodzakelijk onderdeel van de taak die Geert op zich heeft genomen in zijn werk. Het concept van iedere serie is namelijk zo precies dat de uitvoering daar niet bij achter kan blijven.

Het is tekenend voor Geert dat hij ook de omschrijving van de werken, de herkomst van de gebruikte afbeeldingen en zelfs de papiersoort waarop de collages zijn geplakt, nauwkeurig aangeeft. Alles doet ertoe in dit encyclopedische universum. Het is het universum van een verzamelaar, en aan het verzamelen ligt, zoals u weet, rubriceren en ordenen ten grondslag.

Ik kon aan het eind van de middag tevreden, mijn nieuwsgierigheid bevredigd, weer vertrekken. Maar ik wilde toch nog één ding weten: hoe kon het dat ik niets van een werktafel, een voorraad plaatjes, montagematerialen – om nog maar te zwijgen van rondslingerende probeersels of mislukte plaksels – had gezien in de ruimte die toch het atelier van een kunstenaar moest zijn..? Welnu, Geert bleek al zijn werken te maken aan een héél klein tafeltje, eigenlijk meer een plankje, dat na elke gedane arbeid weer helemaal werd opgeruimd en opgeborgen. Zó geheim, zó verborgen, zó bescheiden heeft Geert tot dusver gewerkt aan zijn werken dat het lange tijd niet eens de bedoeling was dat deze zijn zolderkamertje ooit zouden verlaten. Het is aan Hans Walgenbach te danken dat dit toch kon gebeuren.

Mijn oprechte wens is dat dit werk vanaf nu, vanaf deze middag, bij de officiële coming out van Geert Mommersteeg als beeldend kunstenaar, zijn plaats in de buitenwereld mag innemen die het toekomt. En Geert zelf wens ik nog vele nieuwe exploraties in tal van verschillende universa toe, die hopelijk weer tot weer nieuwe encyclopedische series zullen leiden.

Hierbij verklaar ik deze presentatie voor geopend!

 

Home

01.07.2022

Walgenbach Art & Books is specialized in art books and organizes small exhibitions in the field of visual arts. Artists and art books, photography and the cultural life of Rotterdam are the focus areas of the shop.
Please contact info@walgenbach.nl for selling books that fall within the specializations of the shop.

 

Walgenbach Art & Books,
Gouwstraat 56 c,
3082BE Rotterdam.
Open: Thursday to Saturday from 12:00 to 17:00 and by appointment.
Tel: +31 6 393 11 695 / info@walgenbach.nl
NB!
walgenbach art & books has moved to number 56c and has new opening hours!

 

Cold Turkey Press;    Fw: books;   Hatje Cantz;   Hanuman Books;   Imschoot Uitgever;   Letter Edged Black Press Inc.:  MACK books;   Melly/Witte de With ;      Museum Boijmans Van Beuningen;     Point d’ironie, Agnes b.;     Publishing House Bébert;    Roma Publishers;    Scalo;   Stedelijk Museum Amsterdam;   Steidl;   Van Abbemuseum;    Van Zoetendaal Publishers:     Wendingen;     Walther König:   

Hanuman Books

03.05.2000

Hanuman Books was founded by American art critic, curator, editor and publisher, Raymond Foyeand Italian painter Francesco Clementein 1986.

Clemente, in addition to suggesting books, painted the Hanuman Books logo, contributed money to pay for printing in India, and envisioned the design of the books. Clemente, for example, suggested sending black and white author photographs to be hand tinted, so Indian printers would influence the books.

Hanuman books were printed on a letter press at C.T. Nachiappan’s Kalakshetra Press in Madras (now Chennai), India. The acid-free pages were sewn together by local fishermen and others. All of the books have the same 3″ x 4″ dimensions. 

Handmade Indian paper and vegetable dyes enabled colorful covers. Titles stamped in gold and tinted author photographs appear on the dust jackets.

Nachiappan himself destroyed the first print-run of Bob Flanagan’s Fuck Journalin order to avoid prosecution under anti-obscenity laws, which applied to printers as well as publishers. He was convinced by Foye to print five hundred clandestine copies.

Very few copies remain and have proven exceedingly difficult to obtain.

The Hanuman collection here offered for sale formed part of a gift from Raymond Foye to Gerard Bellaart. All the books are in mint condition.


for order press button

Gyz la Riviere, ‘dataism’ 20 -3 to 24-4 -2022

13.03.2000

Gyz la Riviere—Dataïsme

Typisch Gyz: Speels, grappig, lichtvoetig, een mix tussen pop-art en objects-trouvés, geworteld in een haast obsessieve verzameldrang, een specifieke Gyziaanse gekte.
Maar daarachter, ook typisch Gyz: Een ongekend eigenzinnig oog voor de sociale en economische structuren waarvan ons leven is doordrongen, vaak op zo’n alledaagse, en soms ook prettige, manier dat we het voor lief nemen. Gyz raakt aan die structuren door in te haken op materiële sporen en restanten, vaak uit een verleden dat eigenlijk heel recent is, en toch alweer geschiedenis. Dataïsme is een verzamelnaam voor een groeiende collectie datadragers en data-gerelateerde materiële cultuur, die Gyz uitlicht, herordent, isoleert of juist in al haar veelomvattendheid laat exploderen.

In New Neapolis, zijn meerjarenproject rondom het typische karakter van havensteden zoals Rotterdam, linkte Gyz dataïsme aan een geschiedenis van standaardisering, automatisering en schaalvergroting. Die hoort bij de ontwikkeling van de machine van het kapitalisme en de voortdurende stroom van geld en goederen. Maar ook bij het idee van woonwijken en steden als een machine, dat in de 20ste eeuw overal aan invloed won. Een schijnbaar abstracte vierhoek van geschakelde floppy disks maakte hij in zijn New Neapolis expositie de visuele pendant van een maquette van een van de woonmachines van Le Corbusier—symbool voor de rationele, functionele stad. Maar hij merkte daarbij fijntjes op dat van het onderliggende collectivistische ideaal van toen niet zoveel is overgebleven; in de huidige samenleving, waarin data en algoritmes alom de economische en sociale onderlegger zijn gaan vormen, voert individualisme de boventoon.

Of toch?

In tijden van Corona, toen ons dagelijks leven nóg meer op ons individuele zelf was teruggeworpen, maakte hij vanuit zijn fascinatie voor dataïsme twee boeken rondom datadragers waarin het toch ook draait om contact:
Zijn boekproject ‘Home-video’ draait om de VHS band en de videotheek als sociaal en cultureel instituut.
En ‘Het telefooncellenboek’ omschrijft en toont hoe die ene vierkante meter een specifieke sociale en culturele ruimte in het stadsbeeld afbakende, én een rol vervulde als symbolische plek—bijna een karakter op zichzelf—in boeken, reclames, en films.

Karakteristiek voor de hele doorlopende stroom aan ‘dataïsme’ werken is zijn interesse in retro-futurisme. Terugkijken naar ontwikkelingen en toekomstbeelden van toen—als prequel van vandaag—om de afstand en verbazing die dat oproept ook mee te laten resoneren in hoe jij en ik vervolgens om ons heen kijken naar de wereld van nu én naar de toekomst die vandaag wordt vorm gegeven. Retro-futurisme is als attitude groots. Maar wat ik zo mooi en sterk vindt aan de dataïsme serie, is dat die tegelijkertijd samenvalt met de tijdsspanne van Gyz’ eigen biografie. De technologische evolutie die hij ons terugspiegelt vindt plaats binnen één mensenleven. De videotheek, de telefooncel, de floppy disk, de telefoonkaart, etc… ze behoren tot een recent en toch al deels vergeten verleden dat, onder Gyz’ publiek van de afgelopen jaren ook significante scheidslijnen trekt. Sommigen van ons belanden in een feest van nostalgie en herkenning; maar veel nieuwsgierigen—in Rotterdam West bij Joey Ramone, hier op Zuid bij Walgenbach, of de schoolgroepen in TENT—weten letterlijk niet wat ze zien.

Dat zegt iets over de razende vaart waarin onze datacultuur, of misschien zelfs dataculturen, voortrazen en om zich heen grijpen.
En het zegt ook iets over de waarde van het scherpe oog, de verzameldrift en de gedrevenheid van Gyz die zich, vol liefde en humor, opwerpt als onvermoeibare chroniqueur van de cultuur van het dagelijks leven—inclusief de schoonheid van gamen, geinen, roken, wildplassen, wachten, hangen, en dat typische gevoel van een telefoonhoorn met metalen draad, een floppydisk, cassette of telefoonkaart in je hand én binnen je bereik—die tastbaarheid van sociale structuren, als een collectieve ervaring waar de meeste designgeschiedenissen aan voorbij gaan.

Anke Bangma, 24 april 2022

 

 

Foto’s:  Frank Hanswijk

 

 

Een feestrede voor Arie en Klaas door Vincent Mentzel

11.03.2000

 Ja, zei Arie door de telefoon met zijn bekende beetje krakende stem: Zou jij voor de jarige Klaas en mij een feestrede willen bedenken voor de opening bij Galerie Walgenbach.

Een feestrede…dat is toch een rede waar iedereen blij van  wordt en opgewekt na afloop het glas heft en zich zo opgewekt voelt dat hij of zij in opperste staat van geluk één of liefst twee werken van de beide kunstenaars aanschaft.

Klaas Gubbels is geboren op 19 januari 1934 in Rotterdam en Arie van Geest op 10 april 1948 in Maasland, …off all places, maar  woont eigenlijk zijn hele leven al in Rotterdam.
Een feestrede, vrienden van de kunsten hier in Rotterdam bijeen, een feestrede is ter gelegenheid van een feestvarken. In dit geval dus twee.
Nu is het bijna altijd feest…voor mij althans, wanneer ik het atelier van de beide kunstenaars mag betreden. Het geeft mij een   bijzonder gevoel. Een euforische ervaring en  denk  dan  ook  zelf een beetje kunstenaar te zijn.
Ik laaf mij aan de beide mannen, zoals je je ook kunt laven aan een goed glas wijn. Maar dit is meer, veel meer dan gewone wijn. Dit is een sensuele ervaring.
Zowel geestelijk als lichamelijk voel je je verrijkt, wanneer je het atelier van zowel Arie als Klaas verlaat.
Het is niet alleen de lucht van verf of een slecht geventileerde ruimte. Het is niet alleen de lichaamslucht van beiden. Daar zit net zoveel verschil in als in hun beider werk.
Wat maakt dat je je op je gemak voelt wanneer je het ‘hok’ van deze mannen betreed.
Je maakt ineens deel uit van hun wereld, hun schilderij. Even maar hoor. Want hun strijd is intenser.
Klaas zijn struggle bijvoorbeeld met die godvergeten tafels en ketels.
En Arie, zijn struggle, niet alleen met zijn leven en Berneja, maar ook met zijn immer romantische gevoelens voor al zijn dierbaren en de mensen om hem heen. Zijn voortdurende melancholische gevoelens over leven en dood. Zijn opwindende strijd om te overleven, te blijven leven, in poetische vormen terug te zien in zijn werk.

Ik heb al sinds mensenheugenis een schilderij van twee somber kijkende meisjes aan mijn muur thuis hangen. Een inmens groot doek, ooit voor veel geld van Jan Riezenkamp overgekocht. Een echte Arie van Geest. ‘ Het comfort van de Melancholie’ genaamd. Waarom vond ik dat schilderij zo bijzonder.
Waarom voelde ik inderdaad de melancholie van Arie in mijn gezicht prikken ?
Ik sta er iedere dag even voor. Twee tamelijk boos kijkende meisjes die je verwend en verwaand aankijken. Ik kijk ernaar en zeg dan zachtjes ( …opdat mijn vrouw en dochter het niet horen) Kijken jullie verdorie toch eens vrolijk !
Het schilderij heeft iedere dag een andere melancholische blik.    Ik ben eraangewend. Het bepaalt voor mij het ritme van de dag,.

Arie had een vooruitziende blik, er hangt nog een ander schilderij  in de woonkamer met ook een booskijkend meisje, geschilderd jaren voordat onze dochter in 1999 geboren  werd.  Een  portret van Alice in Wonderland, waar wij onze, soms ongemakkelijk kijkende dochter in menen te herkennen. Niets is toeval !
Er hangt ook een groot doek van Klaas Gubbels in de woonkamer, ‘De Tafelzitster’. Het heeft jaren geduurd voordat mij dat schilderij door Klaas werd gegund. Foto’s, briefjes, met de tafelzitster erop getekend, met de tekst: ‘Mooie piece he,’ je Klaas.’ Maar arriveren deed het nooit, een keer belde Klaas op, kom het maar halen in Arnhem, paste het verdomde schilderij niet in mijn auto ( Klaas   wist dat en zei kom we gaan drinken) Nog weer jaren later arriveerde het schilderij eindelijk in Rotterdam. Met een voor mij wildvreemde was de Tafelzitster’ meegereden.
Onze dochter heeft er direct na haar geboorte in 1999 in een wiegje nog maanden onder gelegen, tot grote ontsteltenis van mijn schoonmoeder.
Die vond ‘ De Tafelzitster’ aanstootgevend en dacht dat ons kind daar een levenslang trauma aan zou overhouden. Het is goed gekomen en ze houdt gelukkig heel veel van Klaas.

Arie kreeg schilderles van Klaas op de Kunstacademie hier in Rotterdam.
Wat heet les: Op het atelier van Arie hangt een van de Arie’s eerste schilderijen, ‘de Nachtwandelaar’ uit 1968. Het lijkt zo  op  het eerste gezicht een Klaas, maar het is geen Klaas. Echter dit   schilderij heeft Arie van Geest zijn leven wel vormgegeven.
Na een poosje wanhopig stillevens van tafels en stoelen schilderen heeft Klaas, Arie een goede raad gegeven: ‘Jij moet niet schilderen wat je ziet, maar schilderen wat je denkt’
Die woorden heeft de jonge ‘klad schilder’, zoals Arie zichzelf spottend noemt, tot zich genomen.
Arie’s leven is poëzie, hij kan als geen ander zijn gedachten op het doek componeren. Ontroerend.. …en daar ..Dames en Heren,  komen Klaas en Arie samen.
Een feestrede is er om u een beetje een heerlijk gevoel te geven en ik hoop dat uallen nu al een beetje dat heerlijke gevoel heeft.

Klaas mijn ‘oude’ vriend, is ook een beetje mijn leermeester, want wat is het heerlijk, ik zei het al eerder, om bij hem op het atelier binnen te komen.
Als jongetje van 12 ging ik wel een logeren in Amsterdam bij een goede kunstenaarsvriend van mijn ouders: Lex Horn.
Wie van u kent niet het prachtige wandkleed van Lex Horn wat in de Doelen hangt, maar dit terzijde.
Lex Horn woonde aan de Oude Waal in Amsterdam, vlakbij de Binnen Bantammerstraat, waar de Chinezen wonen en de hoerenbuurt begint.
Het was er buiten voor mijn gevoel altijd nat en koud, maar zodra   ik een stap binnen zette bij de familie Horn, was het knus en warm in de kleinekunstenaarswoning.
Het rook er altijd naar olieverf, sigarettenrook, drank en koffie. Het voelde als een schilderij van liefde en opwinding.
Zo is het ook bij Klaas,…. ‘ja..a.a kom maar langs zei Klaas met een lichte stotter in de stem,…’en de opwinding van het binnenkomen in zijn volgepropte atelier in Arnhem is daar weer.
Bij Klaas kom je altijd in je korte broek binnen en word je er héél langzaam volwassen.
Het is bij Klaas nooit hetzelfde, altijd weer nieuwe doeken her en der opgesteld. Maar het ruikt er zoals het hoort.. de geur van mijn jeugd. De geur die ik ook zo goed kende uit een andere periode in mijn leven in Dordrecht. Op het atelier van Klaas zijn overleden vriend Bouke Ylstra. Ik zat daar als ventje in een hoekje te kijken naar de schilder aan het werk. Ook weer die onverwoestbare geur van olieverf, sigaretten en de houtkachel
Bij Klaas wordt je verdrietig en vrolijk tegelijk. De bijna eenvoud uit het leven, en ook zijn gevecht met het schilderij maakt je nederig en gelukkig tegelijk.

Opvallend de zo verschillende kleuren die Arie en Klaas gebruiken.
Wat maakt het zo bijzonder om deze  twee  mannen,  zo verschillend in hun werk, zo verschillend in karakter, nu samen te zien.
De melancholie van het zijn, de poëtische liefde voor het lege doek.
Arie die zich in Frankrijk spiegelt aan zijn tuin.
Zijn leven en herinneringen in de schilderijen van zijn tuin projecteert. Zijn ( overleden) vrienden en familie laat bloeien in het gras. Zijn onverwoestbare liefde voor Berneja.
Klaas die in alle eenvoud een gruwelijk beeld kan neerzetten. Neem het schilderij wat ik nooit zal vergeten en zonder dat je de titel hebt gelezen al weet dat het allemaal niet deugd:
‘Het verhoor.’
Twee ketels tegenover elkaar.

Arie die op zijn grimmige wijze een zelfprotret schildert waar je niet vrolijk van wordt:’ Sleeping with the enemy ‘
Zijn strijd tegen, zoals de oudere generatie het noemde: ‘ De gevreesde ziekte K’
En na dat hij weer een overwinning op deze ziekte heeft behaalt in 2019 het grauw-grijs-groene schilderij maakt:  ‘the  Sisters  of mercy’
Wat doet Klaas: die kleed zich uit en gaat bijna naakt in de krant staan.
Heerlijk, hij laat zijn bijna onoverwinnelijke mannelijkheid zien.
Klaas en Arie twee vrienden die samen: om met Reve te spreken, ‘Nader tot U’ komen.

Is het nog steeds een feestrede? Ik denk het wel…

De reden om een feest te geven is hier vandaag bij Galerie Walgenbach, deze twee ongelooflijke aardige mannen, die gemeen hebben dat ze géén ‘ klad’ schilders zijn, maar weergaloos goede kunstenaars. Die elkaar op poëtische wijze liefhebben en van elkaars werk kunnen genieten. Trots zijn  op  hun lange vriendschap.
Ik citeer een brief uit 2014 van Arie aan Klaas:
Naast de regelmatig opduikende ellende is het leven ook gevuld met kleine raadsels, die we gewoon in takt moeten laten. Niet beroeren, rustig rond laten dobberen richting de kier naar de vrijheid. Het geluk ligt immers niet achter de horizon, maar bevindt zich veilig opgeborgen in de kelder van ons eigen nevelbrein.
En uit een gedicht van Rutger Kopland (2001) over Klaas:
Hoe een tafel bijvoorbeeld verandert in een schilderij.
het gaat om het zien zegt Klaas meer kijken, minder schilderen.
Achteruitlopen, tot je denkt: verdomd.
Als je lang genoeg kijkt zie je iedere tafel voor het eerst.

Dames en heren, vrienden van Arie en Klaas van het ‘Geest & Gubbels Genootschap’ laten we het glas  heffen  op  deze  heerlijke en eerlijke Rotterdammers en niet te vergeten hun lieve Heleen en Berneja.

Vincent Mentzel, Galerie Walgenbach art & books,  10 november 2019