Marcelle van Bemmel

01.11.2020

EEN DEUR IN HET BOS
 
Enige tijd geleden kreeg ik het boek ‘Een antropoloog op Mars’ in handen. De schrijver, neuroloog Oliver Sacks (van ‘The man who mistook his wife for a hat” en bij een groter publiek bekend van de verfilming van ‘Awakenings’) vertelt in eerstgenoemd boek over een man die in zijn vierde levensjaar blind werd. Op zijn vijftigste onderging deze een operatie waardoor hij weer voor 80% zicht had. Probleem was echter, dat hij met zijn ogen wel opeens van alles kon waarnemen, maar dat zijn hersenen grote moeite hadden om de beelden te interpreteren.
Hij was opgetogen dat hij vanuit het raam van zijn woning naar beneden kon kijken en allerlei kleurvlakken voorbij zag schieten, maar  anderen moesten hem vertellen dat die kleuren de daken van auto’s waren. Voor hem waren de auto’s op straateen aanzwellend en wegstervend motorgebrom en de reuk van uitlaatgassen. Objecten en mensen waren voor hem alleen aanwezig als ze geluid maakten of als hij ze kon aanraken. In ruimtes waarin hij zich regelmatig bevond wist hij dat hij na een bepaald aantal stappen tegen een tafel zou botsen, of dat een muur de begrenzing van die ruimte zou zijn.
Met enige inspanning kon hij wel leren om een relatie te leggen tussen objecten in zijn woning die hij kon aftasten en die nu opeens ook zichtbaar waren, maar hij begreep niets van de zwarte vlek die steeds opdook in de kamer. Die veranderde voortdurend van vorm en grootte. Ze zeiden dat het de hond was die heen en weer liep. Een andere keer bleek het toch de kat te zijn.
In deze verhandeling wordt het duidelijk dat visuele prikkels alleen zinvol zijn als onze hersenen in staat zijn om ze te duiden. Ik begreep opeens hoe ik intuïtief  de foto’s selecteerde die ik het waard vond om af te drukken. In deze printsspeelt steeds de vraag wat je nu eigenlijk ziet. Een hardlopend poppetje met grote handen blijkt in werkelijkheid een gat te zijn die uit een dikke aluminium plaat gezaagd is.
Wij hebben geleerd om spiegelingen als zodanig te interpreteren. Als ik bij een etalage sta, zie ik mezelf en alles achter mij reflecteren in het glas. Maar ik kan het negeren en mij concentreren op de objecten in de etalage. In een foto krijgt alles dezelfde aandacht, net als de patiënt van dr. Sacks dat deed. Daar kan je in de fotografie gebruik van maken door twee zaken die niets met elkaar gemeen hebben met elkaar verbinden, zoals een zonsopgang en een TV-beeld  dat reflecteert in het raam. Door de combinatie ontstaat een bepaalde spanning.
De meeste foto’s heb ik met mijn mobiel gemaakt en daarbij kan ik de scherptediepte niet instellen: achtergrond en voorgrond zijn even nadrukkelijk in beeld. Dat kan je als fotograaf ook uitbuiten. In de foto van de vrouw die de ramen zeemt met de zee op de achtergrond zijn de druppeltjes op het glas haarscherp terwijl het bootje ver weg op zee ook duidelijk herkenbaar is. Je moet raden dat er een raam is, want de omlijsting ervan is niet te zien op de foto. Bij de stoffige afdruk van een duif op het raam is de vervreemding nog groter.
De patiënt van dr. Sacks wist ook niet hoe hij met schaduwen om moest gaan. Als hij langs een hek liep, en de zon scheen door de spijlen, kwamen er allemaal zwarte strepen op het wegdek. Kon hij er dan op gaan staan of struikelde hij erover?
Het is niet per ongeluk dat in mijn foto’s regelmatig silhouetten voorkomen. Het is verbazingwekkend hoe goed mensen die hun hele leven hebben kunnen zien in staat zijn om in de meest uiteenlopende vlekken de omtrekken van een mens te herkennen. Of het hoofd van het fictieve personage Sherlock Holmes.
Mijn foto’s zijn niet geënsceneerd of digitaal gemanipuleerd. Soms zet ik een horizon recht, maak de foto wat donkerder of lichter, of maak ik een uitsnede, maar verder laat ik mijn mobiel dingen registreren op bijna dezelfde manier als de blinde man die weer ging zien. Mijn keuze werd vooral gestuurd door de vraag: wat zie ik nu eigenlijk en hoe ga ik daarmee om?
 
Een deur in het bos, dat kan toch niet?
 
Marcelle van Bemmel - 2020



A DOOR IN THE FOREST
 
Some time ago I got my hands on the book "An Anthropologist on Mars". The writer, neurologist Oliver Sacks (from "The man who mistook his wife for a hat" and known to a wider audience from the film adaptation of "Awakenings") tells in the first-mentioned book about a man who went blind in his fourth year of life. At the age of fifty, he underwent surgery, which restored 80% vision. The problem, however, was that he could suddenly perceive everything with his eyes, but that his brain had great difficulty in interpreting the images.
He was delighted to be able to look down from the window of his home and see all kinds of areas of color darting past, but others had to tell him those colors were the roofs of cars. To him, the cars in the street were a swelling and dying engine hum and the smell of exhaust fumes. Objects and people were only present to him when they made noise or when he could touch them. In rooms where he regularly found himself, he knew that after a certain number of steps he would bump into a table, or that a wall would be the boundary of that space.
With some effort he could learn to relate objects in his home that he could sense that were now suddenly visible, but he did not understand the black stain that kept popping up in the room. It was constantly changing in shape and size. They said it was the dog running back and forth. Another time it turned out to be the cat.
In this paper it becomes clear that visual stimuli are only meaningful if our brains are able to interpret them. I suddenly understood how I intuitively selected the photos I thought were worth printing. In these prints the question always arises of what you actually see. A running doll with large hands actually turns out to be a hole cut from a thick aluminum plate.
We have learned to interpret reflections as such. When I stand at a shop window, I see myself and everything behind me reflecting in the glass. But I can ignore it and focus on the objects in the shop window. In a photo, everything gets the same attention, just like Dr. Sacks' patient did. You can make use of this in photography by connecting two things that have nothing in common, such as a sunrise and a TV image that reflects in the window. The combination creates a certain tension. 
I have taken most of the photos with my mobile and I cannot adjust the depth of field: background and foreground are equally emphatically in the picture. As a photographer you can also exploit that. In the photo of the woman cleaning the windows with the sea in the background, the droplets on the glass are razor-sharp, while the boat far away at sea is also clearly recognizable. You have to guess that there is a window as the framing of it cannot be seen in the photo. With the dusty print of a pigeon on the window, the alienation is even greater.
Dr. Sacks' patient also didn't know how to deal with shadows. When he walked past a fence, and the sun shone through the bars, all kinds of black stripes appeared on the road surface. Could he then stand on it or did he trip over it? 
It is no accident that silhouettes regularly appear in my photos. It is amazing how well people who have been able to see all their lives are able to recognize the outlines of a person in the most diverse spots. Or the head of the fictional character Sherlock Holmes.
My photos are not staged or digitally manipulated. Sometimes I straighten a horizon, make the photo a bit darker or lighter, or make a crop, but otherwise I let my mobile register things in almost the same way as the blind man who went to see again. My choice was mainly driven by the question: what do I actually see and how do I deal with it?
 
A door in the forest, that is not possible, is it?
 
Marcelle van Bemmel - 2020