Wim Konings

18.08.2019

Openings speech van Johnathan den Otter,

Toen ik de vraag van Wim ontving of ik de tentoonstelling vandaag wilde openen hoefde ik daar geen moment over na te denken. Zijn werk heeft een prominente plaats op mijn radar sinds ik het leerde kennen en om nu deze tentoonstelling te mogen openen is mij een grote eer. Nadat ik met werk van Wim in aanraking kwam ben ik echter langzamerhand in plaats van vooruit, achteruit in de kunst gegaan. Dat wil zeggen, ik houd mij bezig met oude meesters in de rol van specialist oude meester tekeningen in Londen. En als je zoals ik op regelmatige basis geconfronteerd wordt met tekeningen van de grote Italianen, Michelangelo, Rafael en Leonardo of Noordelijke meesters als Dürer, Rembrandt of Rubens, dan is er het risico dat je je afvraagt waarom kunstenaars van generaties erna het toch in hun hoofd zouden halen om pen, potlood of penseel op te pakken. Leonardo keerde de mens letterlijk binnenstebuiten en gaf hem, of haar, op de meest briljante wijze weer op bescheiden velletjes papier. Dürer ving de buitenwereld in zijn exceptionele landschapsaquarellen en Rembrandt gaf gestalte aan de ‘’gewone’’ mens in haar dagelijks leven. Heeft het dan nog wel zin om de wereld om ons heen op het papier te vereeuwigen, zou je je af kunnen vragen? Gelukkig, echter, hoeven we zodadelijk alleen maar naar het werk van Wim te kijken om het antwoord te krijgen: zijn tekeningen zijn een briljante repliek om deze vraag en maken hem in een klap irrelevant. Ook nu, of misschien wel juist nu is tekenen relevant. In een wereld waarin ambachten geen gewoon goed meer zijn, de digitalisering meer en meer aan terrein wint, ook in de kunst, is de eeuwenoude kunst van het tekenen een baken van hoop. 

In aanloop naar de tentoonstelling sprak ik met Wim over zijn werk en zijn leven, waarin het tekenen een centrale rol speelt. Zo’n centrale rol speelt het, dat het voor Wim, om het in zijn woorden te zeggen, ‘’de norm is van enige kwaliteit van leven’’. Met andere woorden, tekenen staat gelijk aan het leven zelf. Wim tekent iedere dag. Sinds 2016 staat hij er om vijf uur voor op, zodat hij, voordat hij de post rondbrengt, kan tekenen. Als een monnik wordt dan in de stille en meestal donkere uren van de dag meditatief gewerkt. De stilte en focus van de vroege uren zijn zo gaandeweg het werk ingeslopen. De onderwerpen zijn uit de directe omgeving gegrepen. Eerder waren er nog landschappen of kunsthistorische verwijzingen te zien, nu echter ligt de focus op onderwerpen dichtbij. De tekeningen zijn gestript van iedere modegril, religieuze of kunsthistorische context, en wat over blijft zijn glasheldere tekeningen van alledaagse motieven. De waarneming krijgt gestalte in haar meest basale vorm. Het is alsof Wim decennia lang door een kunsthistorische zee heeft gewaad om vervolgens aan de kant zijn natte, zware kleren uit te trekken en zo, zonder schroom, zijn naakte zelf te laten zien. Hij lijkt de kunstgeschiedenis na zijn intense dialoog ermee niet meer nodig te hebben, of er wellicht juist op te drijven.   

De tekeningen streven naar perfectie, en roepen de associatie op met die van de oude Oosterse meesters die hun leven wijdde aan het maken van ogenschijnlijk simpele tekeningen. Op het eerste gezicht tonen ze eenvoudige motieven; een steen, een rietstengel of een kraanvogel, maar binnen hun eenvoud zijn ze oneindig variabel en complex en raken ze aan de essentie van het bestaan. 

Wim’s tekeningen tonen ons een zonwering, of lichtval op een muur, of simpelweg een hand. Ogenschijnlijk eenvoudige onderwerpen maar oneindig fascinerend. Zo vormen handen een eindeloos onderwerp, nooit zien ze er precies hetzelfde uit en de lichtval is altijd anders en complex. Ze hebben de mens al eeuwen, zelfs millennia lang gefascineerd. Toen zij duizenden jaren geleden in grotten voor het eerst figuratieve schilder ‘kunst’ begonnen te maken was een van de eerste voorstellingen die zij maakten een afdruk van hun hand. Wellicht ook niet verassend, want wat is er voor de hand liggender en persoonlijker voor een kunstenaar dan het af beelden van zijn eigen hand? Voor Wim vormen deze tekeningen van handen ‘zelfportretten’, en misschien gold dit voor die eerste kunstenaars evengoed. 

Kijkend naar Wim zijn tekeningen van handen moet ik aan wat Martin Heidegger (vrij vertaalt) de ‘’denkende hand’’ noemt denken. Hij zegt hierover:

”Iedere beweging van de hand, in ieder van haar werken, draagt zichzelf door het element van het denken, ieder gedrag van de hand draagt zichzelf in dat element. Al het werk van de hand wortelt in denken.” 

Voor Heidegger ”denkt” de hand zelf. Ook bij Wim blijkt tijdens het tekenen een soortgelijk proces plaats te vinden. Het denken van de hersenen lijkt te worden uitgeschakeld en zo ontstaat er een meditatieve status. Hierin neemt de hand het over van het denken en volgt hij louter de waarneming. De observatie is scherp en er wordt geen lijn gezet zonder dat daar een waarneming aan vast zit. Opdat de hand dit kan doen, moet er echter wel aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Wellicht de belangrijkste hiervan is de rastering, die orde aanbrengt in een anders chaotische wereld. De foto’s waarop Wim zijn tekeningen baseerd, altijd door hemzelf gemaakt, worden telkens van een rastering en nummering voorzien. Vervolgens wordt deze rastering op een blanco vel overgebracht waarbinnen de tekening zal ontstaan. 

Naast handen ziet u zodadelijk schaduwen op muren, wolkenpartijen boven een dakrand en tekeningen naar foto’s van Eadweard Muybridge. Die laatste tonen een lopend paard, een rennende man of een vliegende duif. Deze beelden vinden een volmaakte balans tussen vluchtigheid en eeuwigheid. Tijdelijke en onnozele handelingen als de vleugelslag van een duif of een stap van een paard zijn dankzij Wim’s pen of potloodstreek tot monumentale en eeuwige handelingen verworden. Kijkend naar deze tekeningen lijk je je in een vacuum tussen verleden, heden en toekomst te bevinden. 

Muybridge’s beroemde Human locomotion vormt al sinds het begin van Wim’s carriere een belangrijke inspiratie bron. Hij liep het als student rond 1975 tegen het lijf en het werd direct aangeschaft vanwege de overweldigende schoonheid. Dit, in combinatie met haar radicale karakter, spraken tot de verbeelding. Net als Wim’s tekeningen tonen Muybridge’s foto’s de waarneming in de meest basale vorm en tevens zijn ze, net als de foto’s die de basis zijn voor Wim zijn tekeningen, gerasterd. Dat het werk van deze twee door tijd gescheiden kunstenaars ooit samen zou komen lijkt in retrospect haast onvermijdelijk. 

Wim’s tekeningen gaan uiteraard over de motieven die zij tonen, maar tevens over tekenen an sich. Door binnen een rastering te tekenen en de velden haast meditatief in te vullen, komt het tekenen als daad centraal te staan. De fysieke resultaten van deze sessies, zijn tekeningen die ergens tussen fotografie, abstractie en realisme zweven. Licht, tijd en ruimte vinden hun weerslag op papier en worden door de kunstenaar voor de eeuwigheid gevangen. 

Kijkend naar deze prachtige tekeningen, denk ik eraan hoe dankbaar wij als kijkers mogen zijn dat er kunstenaars zijn die dagelijks offers brengen – ik zou er niet aan moeten denken om elke dag om 5 uur op te moeten staan – om het leven in al haar schoonheid op papier te vereeuwigen. Ik wil je daarom danken, Wim, voor het schitterende werk dat je ons vandaag zal laten zien en voor de vriendschap die we via jouw werk in de loop der jaren hebben opgebouwd.

Nu kom ik tot het einde van mijn openingswoord, en zijn we bijna aanbelandt bij het begin van de opening. Voordat ik de tentoonstelling echter tot geopend verklaar, wil ik nog het doel er van benoemen. Ten eerste de aanleiding. Toen ik Wim daar naar vroeg zei hij mij dat hij zich afvroeg:

”Wim wat wil je nog?” Waarop het antwoord luidde ”Ik zou de wereld nog wel eens een paar tekeningetjes willen laten zien.”. Een zeer bescheiden antwoord op een grote vraag, mag ik wel zeggen. 

Ik nodig u uit om zo dadelijk deze ‘’tekeningetjes’’, te bekijken. Maar niet alleen dat, want we bevinden ons straks uiteraard in een galerie en niet in een museum, dus ik nodig u ook uit om naast te kijken, te kopen. In een wereld waar fortuinen worden neergelegd voor kunst van vaak twijfelachtige kwaliteit gemaakt door ‘’bekende namen’’, waar geldkranen voor subsidies regelmatig worden afgekneld, zo niet dichtgedraaid, is de rol van de particulier van voortschrijdend belang. En als ik u, ook al ben ik specialist oude meester tekeningen, een tip mag geven dan is dat deze. Koop een werk van deze hedendaagse meester, want als u tekeningen van deze kwaliteit elders wilt vinden dan verzeker ik u, dan bent u nog wel even zoet. 

Dan verklaar ik hierbij de tentoonstelling voor geopend en wens ik u veel kijk en koop plezier.

Jonathan dan Otter,

Rotterdam- Charlois, zondag 1 september 2019

Roeien en ruiten.

Wim Konings (Haaksbergen, 1954) roeit. Solo, in de skiff.
Roeien is het afleggen van een afstand per boot. De afstand wordt verdeeld in parten: de halen van de roeier. Die halen zijn essentieel. Heel het lijf is bij het werk van de handen, die de roeiriemen hanteren, betrokken. Een haal is een opeenvolging van vouwen en ontvouwen van het lichaam. Bij het strekken van de armen, vouwen zich de benen. Zijn de benen gestrekt, dan zijn juist de armen gebogen. In de sequentie van buigen en strekken wordt de energie van het lichaam overgebracht naar de riemen. Het moment van de grootste kracht ligt halverwege deze complexe beweging. Iedere haal is het de uitdaging voor de roeier om energie om te zetten in snelheid van de boot. 

Wim concentreert zich op de haal. Bij de uitvoering analyseert hij deze. Hij realiseert zich wat verbeterd kan worden. De volgende haal is in potentie een betere. Zo werkt Wim gaandeweg naar een steeds perfectere haal. Daarin ligt de essentie van zijn roeien.

Wim Konings tekent.
Hij voorziet zijn papier van ruiten. Zij vormen een raster. Ook zijn voorbeeld – een foto – is gerasterd. Het beeld wordt verdeeld in parten. Wim concentreert zich bij het tekenen op de delen: de afzonderlijke ruiten van het raster. Door ieder deel met de volle aandacht weer te geven ontstaat telkens opnieuw de mogelijkheid perfectie te benaderen. De delen voegen zich als vanzelf aaneen. Verschillen zijn er, geen ‘haal’ is gelijk. De optelsom van alle pogingen volkomenheid te bereiken in de delen geven het totaal een subliem karakter. 

Door de verdeling van een groter beeld in kleinere delen is ook de werktijd van het tekenen opgedeeld in hanteerbare eenheden. Hierdoor is het eindresultaat een verzameling van voor altijd – mag je zeggen voor eeuwig? – verbeterde ogenblikken.

Olphaert den Otter