Ralph van Meijgaard

08.09.2019

Woorden voor Ralph

De biografie als lopende band

Drie weken geleden was ik op atelierbezoek bij Ralph, die toen al een hele tijd bezig was met het werk dat nu hier hangt – de tentoonstelling herhaling en verhouding. Het zijn een heleboel werken, een reeks, een overzicht?

Er zit zoveel verhouding in het werk, dat ik dat niet zo een twee drie uit de losse pols kan vertellen – dus ik moet het voorlezen:

Het atelierbezoek:

Ralph heeft een wonderlijk leeg atelier, veel wit, opgeruimd. Het schilders- verleden, de oudere werken, zitten opgeborgen in een speciaal gebouwd hok, de opslag.

Alleen in het midden van het atelier ligt een grote hoop losse stukken papier. Het is een behoorlijke stapel: Kalkpapier met potloodlijnen erop, grids in verschillende maatvoeringen, stencils waarin ik de vormen uit de schilderijen terug zie als losse elementen in alle maten. De potloodlijnen zijn soms vele malen over elkaar heen getrokken.

Ralph noemt het zijn externe geheugen.

Dus, daar liggen de bouwplannen van Ralph’s schilderijen door de jaren heen, klaar voor hergebruik. Mij komen ze voor als de blauwpauzen van een enorm apparaat die nog geconstrueerd moet worden.

Het werk dat we hier zien is vooral nieuw, recent ontwikkeld voor deze setting, maar er zitten ook oudere werkjes tussen. Dus we zien een soort oeuvretentoonstelling, samengevat tot één beeld.

Ralph bouwt gestaag aan zijn oeuvre – dat is het apparaat dat geconstrueerd wordt – of, dat oeuvre bouwt zich eigenlijk zelf in itererende bewegingen. De omschrijving die Ralph gebruikt voor de ontwikkeling in zijn werk:

Je komt uit op dingen die je mogelijk maakt.

Het past bij de rustige nuchterheid van de kunstenaar: hij vat het vriendelijker wijze alvast een beetje samen, zijn denkwereld, tot een overzichtelijk geheel in een geordende constructie.

Die denkwereld – en het visuele gevolg ervan dat hier aan de muur hangt – probeer ik sinds drie weken een beetje te duiden. Zo een atelierbezoek heeft namelijk gevolgen. Het werk is in mijn hoofd en terwijl het leven door gaat mengt het werk zich als het ware in mijn waarnemingen. 

Om een beetje te illustreren wat ik bedoel: Afgelopen week was een documentaire te zien bij tegenlicht ‘HOW TO HANDLE CHAOS’. Daarin werd de neurowetenschapper Anil Seth geïnterviewd.

Hij zegt dat zien, gewoon het zintuigelijke zien, een proces van voortdurende constructie is. We interpreteren wat we zien en het brein maakt er een soort Best Guess van. Dan zien we hem in een tentoonstelling zitten en hij zegt dat het werk dat hij hier ziet in zijn brein doorwerkt en dat hij bijna alles, dat hem bezig houdt erin onder kan brengen.

Ook het werk van Ralph lijkt de eigenschap te hebben zich met van alles te kunnen verbinden.

Ik heb even – in overleg met de kunstenaar – voorgesorteerd wat er zoal te zien is:

roltrappen

roltrappen als groeivorm tak en arm

de wasstraat

de abstracte wasstraat het reuzenrad

en reuzenrad zonder rad met en zonder mensen of is het een klok

een klok van mensen een tandwiel

(rol)stoel en (rol)bed of schavot zittende figuren, genderneutraal een zittend figuur met detail veel rondjes

als rolletje, als hoofd, als stip, als zon, als gat, als spiegel of wensput of negatieve wensput

als atoom in het atomaire ijsje in herhaling en als projectie

op voorgronden of achtergronden

twee mannen die naar de horizon kijken de horizon als streeppatroon

van de ondergaande zon

strepen, of zijn het uitgerekte stippen plattegrond van de gates op Schiphol

en de geboorte van het orakel of iets ezelachtigs een kano

kano’s in de bioscoop

een scherm

een toetsenbord of patroon patronen en clusters

beige

grijs grijs grijs

wit zwart geel rood blauw

ik lees dit expres heel snel op, zodat je het niet kan onthouden of niet begint te zoeken of het klopt of zoiets.. Ik wil niet het kijken invullen alsof het een zoekplaatje is. Je kan het beter weer vergeten.

Wat we zien zijn een soort pictogrammen. Deze pictogrammen komen voort uit concrete verhalen in het leven van de kunstenaar, autobiografische pictogrammen dus.

Om een voorbeeld te geven wil ik één van de verhalen vertellen, die ik heel opmerkelijk vond. Ralph vertelde het in het atelier Het gaat over een van de oudere doeken in de reeks, dat met de kano’s.

Vroeger, in de jaren 90, had je op de westersingel de Consul, een eetcafé waar ook filmvertoningen waren. Ik ken dat ook nog. Tijdens een van de avonden werd een Afrikaanse film vertoont. Na afloop zag hij een stuk 16mm film uit het filmblik steken en heeft die in zijn jaszak gestoken. Veel later vond hij dat stukje film terug in die jaszak. Het was een scene waarin een vrouw (of moeder) iets voorovergebogen over een grote ronde bak met water een   paar kinderen een zeilscheepje in het midden van de bak aan wees.

De filmbeelden herhalen natuurlijk de scene, dus er was een hele lange rij bakken en bootjes en figuren in een houding te zien. Dat gaf hem het idee van de helpende beelden. Beelden die elkaar helpen om een beeld te zijn als je zo wil? Het zeilbootje werd een kano en dan een gekapseisde kano of een vorm die op een toetsenbord lijkt…

De rij kano’s is hier terug in een bioscoop op een scherm op de achtergrond en omgedraaid in de onderste helft (de zaal): beeld een publiek tegelijkertijd. De herinnering als film. Deze kano’s, als we ze dan als zodanig herkennen, zijn heel veel dingen. Een mooi voorbeeld om aan te tonen dat zien een constructie is.

Dus, in het beeld gaat het niet om de voorwerpen zelf, maar om ‘helpende voorwerpen’ die elkaar naar een andere hoedanigheid helpen. Ze zijn uiterst hybride. Ze vloeien in elkaar, overlappen en evolueren – soms zelfs over de suggestie van twee doeken heen, zoals de grote roltrap-arm-cactus over twee kleurvlakken. Alles is in beweging in een grote voortschrijdende metamorfose – een soort tanta rei?

Vereenvoudigt tot een teken komen ze mij voor als reserveonderdelen voor een lopende band die zichzelf steeds opnieuw construeert. Elk afzonderlijk beeld is helder en leesbaar:

duidelijkheid die zich toch aan duiding onttrekt. De figuratieve kant van het werk is tegelijkertijd icoon (of icoontje) en orakel.

Het Orakel spreekt in rijmen en in raadsels en het wijst de weg in de toekomst.

De schilderijen vormen een tijdlijn die voor en achteruit beweegt, waarin losjes herinneringen verwerkt zijn. Momenten die zich op soms onnavolgbare wijze in het geheugen genesteld hebben en daar een plek opeisen. Het systematiseren van deze betekenisvolle toevalligheden komt me voor als of op de achterwand van het brein de projecties van ervaringen een nieuwe diashow in elkaar zetten van licht en schaduw, overlappingen en dubbele projecties inclusief de kleurafwijking en dubbelbelichting die in projecties op kan treden.

De kunstenaar observeert en ordent, herschikt en vervormt, het een komt van het ander. Het werk , stuwt zich als het ware zelf voort – de schilder is de voorman van het tand(wiel) des tijds.

Want, na alles wat je erover kan zeggen zijn het toch ook vooral schilderijen wat we zien. Schilderijen, die zich ervan bewust zijn wat ze doen met de waarneming van de kijker en van hun rol in de schilderkunst. Het kijken is telkens een avontuur, met zachte maar onverbiddelijke hand gestuurd door gelaagdheid, kleur en compositie. De vorm wordt een eigen betekenislaag.

Omdat ik bij het zien van Ralph’s werk (behalve aan Oskar Schlemmer en Purno de Purno) aan Alex Katz moet denken heb ik wat onderzoek naar hem gedaan en kom in en interview de volgende uitspraak tegen: Katz zegt over zijn werk

‘de grammatica is abstract en het beeld is figuratief’.

Ralph werkt zijn grammatica helemaal open met hulp van de figuratie. Helpende vormen!

En toen ontdekte ik ook – want zo gaat dat met het google=algoritme – er verschijnen allemaal oneigenlijke verbanden –

de Menukaart van Restaurant Katz Orange in Berlin

en sinds je ook nog een leven heb als kok en zodoende een  “helpende  vorm” bent in de context van een project over sociale cohesie op zuid, heb ik hier de menukaart als inspiratie voor jou. Ze noemen zichzelf foodlab, trouwens.

En nu even nog een keer Alex Katz:

The surface is what the whole thing is!

Het oppervlak van de dingen en het oppervlak van het doek, dat nauwelijks sporen van de maker toont. Het is een neutrale wereld, die ondersteunt wordt door de kleuren, die voor het grootste gedeelte rondom grijs en beige liggen – beige is het goud van de kleine man, zegt Ralph.

Hij houdt niet van felle kleuren. (en daar sta ik dan in mijn oranje jasje)

De serie is door kleur en compositie in balans gebracht. Helpende kleuren, helpende vormen.

Het moet wel een beetje democratisch zijn, zegt Ralph daarover..

En ineens spreken we in termen van menselijke verhoudingen.

Is hier een ideaal ontworpen? Ik ben zeker dat Ralph het liever wat bescheidener gaat houden?

Wat me in ieder geval raakt in het werk, is de schilderkunstige verfijning die in deze stripachtige vormentaal en speelse grammatica een plaats krijgt.

Want de schilder weet – je kan van alles bedenken, maar het moet zich ook voordoen: Als beeld. Eenmaal beeld geworden is de mogelijke betekenis alleen gelaten, misschien zelfs achterwege gelaten.

Het is wat we zien en hoe we dat met onze zintuigen kunnen lezen en ervaren, om dan – wel of niet ondersteunt door kennis of ervaring – de constructie van de werkelijkheid in gang te zetten.

Het werk biedt de kijker daartoe een systeem aan.

Deze beelden kunnen heel goed alleen zijn, zonder hun maker en zelf zonder elkaar. Ze hebben de uitstraling van een icoon. Ook al zijn ze hier met z’n allen, en tonen ze hun onderlinge verband.

(Hoe zit dat Ralph, kan men ze ook apart kopen?)

Het beeld blijft wat het is – onder alle omstandigheden: uitgewogen.

Ik zie hier de kracht en de noodzaak van de abstractie. Met het loslaten van de anekdote (ook al is die telkens aanleiding voor het beeld) komt een groter verhaal naar voren. Het verhaal dat samenhang en toekomst schetst.

We hebben het abstracte nodig.

Om de wereld te bevatten en om ze te verdragen.

En omdat het denken aan je werk maar door gaat, heb ik hier nog zo een vondst (gisteren in Den Haag, postkaart van een vliegveld) dat ik je even cadeau wil geven – kunnen we toch nog kijken of dat een beetje klopt met de plattegrond van de gates van Schiphol.

Dagmar Baumann, zelf ook schilder, Oktober 2019, Rotterdam

Wim Konings

18.08.2019

Openings speech van Johnathan den Otter,

Toen ik de vraag van Wim ontving of ik de tentoonstelling vandaag wilde openen hoefde ik daar geen moment over na te denken. Zijn werk heeft een prominente plaats op mijn radar sinds ik het leerde kennen en om nu deze tentoonstelling te mogen openen is mij een grote eer. Nadat ik met werk van Wim in aanraking kwam ben ik echter langzamerhand in plaats van vooruit, achteruit in de kunst gegaan. Dat wil zeggen, ik houd mij bezig met oude meesters in de rol van specialist oude meester tekeningen in Londen. En als je zoals ik op regelmatige basis geconfronteerd wordt met tekeningen van de grote Italianen, Michelangelo, Rafael en Leonardo of Noordelijke meesters als Dürer, Rembrandt of Rubens, dan is er het risico dat je je afvraagt waarom kunstenaars van generaties erna het toch in hun hoofd zouden halen om pen, potlood of penseel op te pakken. Leonardo keerde de mens letterlijk binnenstebuiten en gaf hem, of haar, op de meest briljante wijze weer op bescheiden velletjes papier. Dürer ving de buitenwereld in zijn exceptionele landschapsaquarellen en Rembrandt gaf gestalte aan de ‘’gewone’’ mens in haar dagelijks leven. Heeft het dan nog wel zin om de wereld om ons heen op het papier te vereeuwigen, zou je je af kunnen vragen? Gelukkig, echter, hoeven we zodadelijk alleen maar naar het werk van Wim te kijken om het antwoord te krijgen: zijn tekeningen zijn een briljante repliek om deze vraag en maken hem in een klap irrelevant. Ook nu, of misschien wel juist nu is tekenen relevant. In een wereld waarin ambachten geen gewoon goed meer zijn, de digitalisering meer en meer aan terrein wint, ook in de kunst, is de eeuwenoude kunst van het tekenen een baken van hoop. 

In aanloop naar de tentoonstelling sprak ik met Wim over zijn werk en zijn leven, waarin het tekenen een centrale rol speelt. Zo’n centrale rol speelt het, dat het voor Wim, om het in zijn woorden te zeggen, ‘’de norm is van enige kwaliteit van leven’’. Met andere woorden, tekenen staat gelijk aan het leven zelf. Wim tekent iedere dag. Sinds 2016 staat hij er om vijf uur voor op, zodat hij, voordat hij de post rondbrengt, kan tekenen. Als een monnik wordt dan in de stille en meestal donkere uren van de dag meditatief gewerkt. De stilte en focus van de vroege uren zijn zo gaandeweg het werk ingeslopen. De onderwerpen zijn uit de directe omgeving gegrepen. Eerder waren er nog landschappen of kunsthistorische verwijzingen te zien, nu echter ligt de focus op onderwerpen dichtbij. De tekeningen zijn gestript van iedere modegril, religieuze of kunsthistorische context, en wat over blijft zijn glasheldere tekeningen van alledaagse motieven. De waarneming krijgt gestalte in haar meest basale vorm. Het is alsof Wim decennia lang door een kunsthistorische zee heeft gewaad om vervolgens aan de kant zijn natte, zware kleren uit te trekken en zo, zonder schroom, zijn naakte zelf te laten zien. Hij lijkt de kunstgeschiedenis na zijn intense dialoog ermee niet meer nodig te hebben, of er wellicht juist op te drijven.   

De tekeningen streven naar perfectie, en roepen de associatie op met die van de oude Oosterse meesters die hun leven wijdde aan het maken van ogenschijnlijk simpele tekeningen. Op het eerste gezicht tonen ze eenvoudige motieven; een steen, een rietstengel of een kraanvogel, maar binnen hun eenvoud zijn ze oneindig variabel en complex en raken ze aan de essentie van het bestaan. 

Wim’s tekeningen tonen ons een zonwering, of lichtval op een muur, of simpelweg een hand. Ogenschijnlijk eenvoudige onderwerpen maar oneindig fascinerend. Zo vormen handen een eindeloos onderwerp, nooit zien ze er precies hetzelfde uit en de lichtval is altijd anders en complex. Ze hebben de mens al eeuwen, zelfs millennia lang gefascineerd. Toen zij duizenden jaren geleden in grotten voor het eerst figuratieve schilder ‘kunst’ begonnen te maken was een van de eerste voorstellingen die zij maakten een afdruk van hun hand. Wellicht ook niet verassend, want wat is er voor de hand liggender en persoonlijker voor een kunstenaar dan het af beelden van zijn eigen hand? Voor Wim vormen deze tekeningen van handen ‘zelfportretten’, en misschien gold dit voor die eerste kunstenaars evengoed. 

Kijkend naar Wim zijn tekeningen van handen moet ik aan wat Martin Heidegger (vrij vertaalt) de ‘’denkende hand’’ noemt denken. Hij zegt hierover:

”Iedere beweging van de hand, in ieder van haar werken, draagt zichzelf door het element van het denken, ieder gedrag van de hand draagt zichzelf in dat element. Al het werk van de hand wortelt in denken.” 

Voor Heidegger ”denkt” de hand zelf. Ook bij Wim blijkt tijdens het tekenen een soortgelijk proces plaats te vinden. Het denken van de hersenen lijkt te worden uitgeschakeld en zo ontstaat er een meditatieve status. Hierin neemt de hand het over van het denken en volgt hij louter de waarneming. De observatie is scherp en er wordt geen lijn gezet zonder dat daar een waarneming aan vast zit. Opdat de hand dit kan doen, moet er echter wel aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Wellicht de belangrijkste hiervan is de rastering, die orde aanbrengt in een anders chaotische wereld. De foto’s waarop Wim zijn tekeningen baseerd, altijd door hemzelf gemaakt, worden telkens van een rastering en nummering voorzien. Vervolgens wordt deze rastering op een blanco vel overgebracht waarbinnen de tekening zal ontstaan. 

Naast handen ziet u zodadelijk schaduwen op muren, wolkenpartijen boven een dakrand en tekeningen naar foto’s van Eadweard Muybridge. Die laatste tonen een lopend paard, een rennende man of een vliegende duif. Deze beelden vinden een volmaakte balans tussen vluchtigheid en eeuwigheid. Tijdelijke en onnozele handelingen als de vleugelslag van een duif of een stap van een paard zijn dankzij Wim’s pen of potloodstreek tot monumentale en eeuwige handelingen verworden. Kijkend naar deze tekeningen lijk je je in een vacuum tussen verleden, heden en toekomst te bevinden. 

Muybridge’s beroemde Human locomotion vormt al sinds het begin van Wim’s carriere een belangrijke inspiratie bron. Hij liep het als student rond 1975 tegen het lijf en het werd direct aangeschaft vanwege de overweldigende schoonheid. Dit, in combinatie met haar radicale karakter, spraken tot de verbeelding. Net als Wim’s tekeningen tonen Muybridge’s foto’s de waarneming in de meest basale vorm en tevens zijn ze, net als de foto’s die de basis zijn voor Wim zijn tekeningen, gerasterd. Dat het werk van deze twee door tijd gescheiden kunstenaars ooit samen zou komen lijkt in retrospect haast onvermijdelijk. 

Wim’s tekeningen gaan uiteraard over de motieven die zij tonen, maar tevens over tekenen an sich. Door binnen een rastering te tekenen en de velden haast meditatief in te vullen, komt het tekenen als daad centraal te staan. De fysieke resultaten van deze sessies, zijn tekeningen die ergens tussen fotografie, abstractie en realisme zweven. Licht, tijd en ruimte vinden hun weerslag op papier en worden door de kunstenaar voor de eeuwigheid gevangen. 

Kijkend naar deze prachtige tekeningen, denk ik eraan hoe dankbaar wij als kijkers mogen zijn dat er kunstenaars zijn die dagelijks offers brengen – ik zou er niet aan moeten denken om elke dag om 5 uur op te moeten staan – om het leven in al haar schoonheid op papier te vereeuwigen. Ik wil je daarom danken, Wim, voor het schitterende werk dat je ons vandaag zal laten zien en voor de vriendschap die we via jouw werk in de loop der jaren hebben opgebouwd.

Nu kom ik tot het einde van mijn openingswoord, en zijn we bijna aanbelandt bij het begin van de opening. Voordat ik de tentoonstelling echter tot geopend verklaar, wil ik nog het doel er van benoemen. Ten eerste de aanleiding. Toen ik Wim daar naar vroeg zei hij mij dat hij zich afvroeg:

”Wim wat wil je nog?” Waarop het antwoord luidde ”Ik zou de wereld nog wel eens een paar tekeningetjes willen laten zien.”. Een zeer bescheiden antwoord op een grote vraag, mag ik wel zeggen. 

Ik nodig u uit om zo dadelijk deze ‘’tekeningetjes’’, te bekijken. Maar niet alleen dat, want we bevinden ons straks uiteraard in een galerie en niet in een museum, dus ik nodig u ook uit om naast te kijken, te kopen. In een wereld waar fortuinen worden neergelegd voor kunst van vaak twijfelachtige kwaliteit gemaakt door ‘’bekende namen’’, waar geldkranen voor subsidies regelmatig worden afgekneld, zo niet dichtgedraaid, is de rol van de particulier van voortschrijdend belang. En als ik u, ook al ben ik specialist oude meester tekeningen, een tip mag geven dan is dat deze. Koop een werk van deze hedendaagse meester, want als u tekeningen van deze kwaliteit elders wilt vinden dan verzeker ik u, dan bent u nog wel even zoet. 

Dan verklaar ik hierbij de tentoonstelling voor geopend en wens ik u veel kijk en koop plezier.

Jonathan dan Otter,

Rotterdam- Charlois, zondag 1 september 2019

Roeien en ruiten.

Wim Konings (Haaksbergen, 1954) roeit. Solo, in de skiff.
Roeien is het afleggen van een afstand per boot. De afstand wordt verdeeld in parten: de halen van de roeier. Die halen zijn essentieel. Heel het lijf is bij het werk van de handen, die de roeiriemen hanteren, betrokken. Een haal is een opeenvolging van vouwen en ontvouwen van het lichaam. Bij het strekken van de armen, vouwen zich de benen. Zijn de benen gestrekt, dan zijn juist de armen gebogen. In de sequentie van buigen en strekken wordt de energie van het lichaam overgebracht naar de riemen. Het moment van de grootste kracht ligt halverwege deze complexe beweging. Iedere haal is het de uitdaging voor de roeier om energie om te zetten in snelheid van de boot. 

Wim concentreert zich op de haal. Bij de uitvoering analyseert hij deze. Hij realiseert zich wat verbeterd kan worden. De volgende haal is in potentie een betere. Zo werkt Wim gaandeweg naar een steeds perfectere haal. Daarin ligt de essentie van zijn roeien.

Wim Konings tekent.
Hij voorziet zijn papier van ruiten. Zij vormen een raster. Ook zijn voorbeeld – een foto – is gerasterd. Het beeld wordt verdeeld in parten. Wim concentreert zich bij het tekenen op de delen: de afzonderlijke ruiten van het raster. Door ieder deel met de volle aandacht weer te geven ontstaat telkens opnieuw de mogelijkheid perfectie te benaderen. De delen voegen zich als vanzelf aaneen. Verschillen zijn er, geen ‘haal’ is gelijk. De optelsom van alle pogingen volkomenheid te bereiken in de delen geven het totaal een subliem karakter. 

Door de verdeling van een groter beeld in kleinere delen is ook de werktijd van het tekenen opgedeeld in hanteerbare eenheden. Hierdoor is het eindresultaat een verzameling van voor altijd – mag je zeggen voor eeuwig? – verbeterde ogenblikken.

Olphaert den Otter

Corrie Brands

04.05.2019

Ik heb een behoefte ritueel te verzamelen, te ordenen en vorm te geven aan materiaal.  
Een materiaal boeit me door vorm, structuur, kleur of geur en door de plaats die het in de ruimte inneemt. 
Door die eigenschappen op me te laten inwerken, ontstaat er een idee voor een specifieke handeling.  Meestal een repeterende en eenvoudige, die leidt tot een beeld met een niet voorspelbare structuur en vorm. Het is een poging door te dringen in de aard van de dingen door materialen voor zichzelf te laten spreken. 

www.corriebrands.com


Hanuman Books

03.05.2019

Hanuman Books was founded by American art critic, curator, editor and publisher, Raymond Foyeand Italian painter Francesco Clementein 1986.

Clemente, in addition to suggesting books, painted the Hanuman Books logo, contributed money to pay for printing in India, and envisioned the design of the books. Clemente, for example, suggested sending black and white author photographs to be hand tinted, so Indian printers would influence the books.

Hanuman books were printed on a letter press at C.T. Nachiappan’s Kalakshetra Press in Madras (now Chennai), India. The acid-free pages were sewn together by local fishermen and others. All of the books have the same 3″ x 4″ dimensions. 

Handmade Indian paper and vegetable dyes enabled colorful covers. Titles stamped in gold and tinted author photographs appear on the dust jackets.

Nachiappan himself destroyed the first print-run of Bob Flanagan’s Fuck Journalin order to avoid prosecution under anti-obscenity laws, which applied to printers as well as publishers. He was convinced by Foye to print five hundred clandestine copies.

Very few copies remain and have proven exceedingly difficult to obtain.

The Hanuman collection here offered for sale formed part of a gift from Raymond Foye to Gerard Bellaart. All the books are in mint condition.


for order press button

Marenne Terlingen

08.03.2019

Toespraak Marjolijn van den Assem

Het waren vervreemdende tien jaren voor mijn hartsvriendin en collega Marenne Terlingen.
Ik dacht aan een gedicht van Innokenti Annenski:

‘Nee, ik wil niet, ik wil niet!
Wat? Geen mens, geen houvast, geen route?
Dooft de kaars door ‘t ademen uit?
Stil … ga nu op handen en voeten!’

En zó redde ze zich.
In den beginne richtte Marenne zich op de Vesuvius, die ze beeldend ontgon, 
totdat alle lava vrucht had gedragen.
De verbazing die dat opriep maakte weerbaar.
Weerbaar? Vechtlustig!

Marenne betrad de boksring, waarvan ze constateerde dat hij vierkant is
en ze liet zich alle hoeken van de ring zien.
Vedergewicht is haar categorie, krap 57 kilo mag men daarin wegen, schoon aan de haak.
In die blote, botte, geharnaste toestand bevocht ze haar drijfveren en ziedaar …
dat schiep tegenwicht.

We kunnen hier nu haar zielenroerselen volgen, verpakt in avontuur en veelzijdigheid.
Vederlicht zoals het een vedergewicht betaamt, maar ook
behendig omfloerst en zo ontwijkt ze onze interpretatie.
Op gevonden kartonnen, opgeraapte papieren, scheurde en schilderde ze, 
tekende en kraste ze, terwijl de spuitbus haar nog het meest bekoorde.
Ze schrijft zichzelf.

Het woord om en om gekeerd tot het zich voordoet als standpunt, openbaring, ontsnapping.
Tot er geen speld meer tussen te krijgen is,
tot de schoonheid er op volgt.

Men noemt haar wel ‘de vlinder’, 
wellicht omdat ze -soms incognito, weggedoken in de cocon van Vincents te grote jas- 
stoer op haar fiets de stad befladdert, 
lichtvoetigheid is de tegenhanger van de ernst.
Mohammed Ali, onze boksheld vatte zo het hele leven samen in:
“Float like a butterfly, sting like a bee”.

Dat is wat ze deed en ze tekende het ons voor.
De weerslag daarvan zien we hier in een album bijeen,
omdat Hans Walgenbach er de noodzaak van inzag.

‘Het werk maakt dat ik besta’ zei Marenne me onlangs, 
kernachtiger kan een kunstenaar het niet verwoorden.
Het synoniem van ‘verdergewicht’ is ‘pluimgewicht’,
een lauwerkrans voor een zwaargewicht die niet is gezwicht
maar vocht en overwon.

Keer op keer realiseren we ons
de zinvolle – zinloze – hoopvolle – hopeloze functie van kunst.
Misschien wel ons enige houvast.
Maar vooral de meest intense mogelijkheid tot medemenselijkheid.

Daarom wordt het joie de vivre van Marenne Terlingen hier tentoon gespreid,
lees het, vang het op, want de tentoonstelling is vanaf nu geopend!

Marjolijn van den Assem

Ben Zegers

25.02.2019

Gouwstraat 15
3082BA Rotterdam
open: vrijdag van 13 – 19 uur, zaterdag van 13 -17 uur en op afspraak
info@walgenbach.nl
+31 6 393 11 695

Tentoonstelling  
3-3 tot 31-3-2019 
Ben Zegers 
‘Souvenirs’
klein werk in diverse technieken
 Ben Zegers (1962) verstoort de maat van de dingen, maakt alles dat maatvast is maatloos, maakt alles dat diepte heeft plat en andersom. Zijn beelden zijn in vorm en inhoud zo elastisch dat ze onophoudelijk van identiteit veranderen. Het bestaan wordt gevat in een aanschouwelijk model, inschikkelijker dan de werkelijkheid. Met deze macht over inhoud en materie kan hij het bekende beeld tot zijn eigen beeld omvormen. Zijn beelden (stapelingen van herkenbare objecten en constructieve elementen), zijn knipsels en zijn (gefotografeerde) maquettes van bekende taferelen, het zijn altijd beelden die onderweg zijn naar hun bestemming, niet te duiden door zijn onophoudelijke spel met herkenbaarheid, proportie, functie en betekenis. 

Zegers werk bevindt zich o.a. in de collecties van Museum Boijmans van Beuningen, Haags Gemeentemuseum en de Caldic Collectie. Momenteel werkt hij in opdracht van Stadsontwikkeling en S.I.R. aan een sculptuur voor de Binnenrotte in Rotterdam.